Dossier


ANTON DE KOM UNIVERSITEIT VAN SURINAME

Faculteit der Maatschappij Wetenschappen

Een onderzoek naar een eventuele verjaring

van de 8 december “MOORDEN” 1982

Scriptie ter verkrijging van de graad van Meester in de Rechten

mr. Filecia L. Patterson
 

Begeleiders:

mr. Eric P. Rudge LL.M.
mr. Lydia C. Ravenberg
 

Paramaribo, januari 2004
Bron: Nickerie.Net 08-12-2004

Voorwoord

De discussies over de verjaring van de december “MOORDEN” 1982 en het resultaat daarvan als zouden zij verjaren op 8 december 2000, kwam mij veel te simplistish voor.

Het komt mij voor dat er in dit specifiek geval veel meer rechtsvraagstukken aan de orde zijn. Vandaar dat ik besloten heb mij te buigen over de gebeurtenis van 8 december 1982.

Met het schrijven van deze scriptie, heb ik mijn diepste verlangen rechten te studeren, mogen verwezenlijken en daar ben ik in de eerste plaats de Almachtige dankbaar voor. Daarnaast betuig ik mijn erkentelijkheid aan :

Op mij rust nog de verplichting, wijlen de heer drs. W. Vreedzaam te memoreren, omdat hij aanvankelijk mijn begeleider was. Evenals ik, was hij vol enthousiasme over dit onderwerp en erg benieuwd naar de uitkomst ervan, echter is hij ons komen te ontvallen en daar dienen wij ons bij neer te leggen.

Paramaribo, januari 2004 

Filecia L. Patterson

 

Slachtoffers 8 December moorden

(toegevoegde pagina door de redactie van Nickerie.Net)

Cornelis Harold Riedewald
geb. 12 januari 1933
advocaat
Kenneth Carlos Goncalves
geb. 16 november 1940
advocaat
Edmund (Eddy)Alexander Hoost
geb. 21 oktober 1934
 
advocaat
John Khemraadj Baboeram
geb. 8 september 1951
advocaat 
Cyril Richard Duncan Daal
geb. 29 mei 1936

vakbondsleider

Lesley Paul Rahman
geb. 24 september 1954
journalist
Frank Wijngaarde
geb. 14 augustus 1939

journalist
Abraham(>Bram)Maurits Behr
geb. 18 januari 1951

journalist
Jozef Hubert Maria Slagveer
geb. 25 januari 1940

journalist
Rudi Andre Kamperveen
geb. 27 september 1924
directeur Radio ABC

Robby Somradj Sohansing
geb. 4 juni 1945

ondernemer
Sugrim Oemrawsing
geb. 25 augustus 1940

universitair docent
Gerard Leckie
geb. 6 maart 1943

universitair docent
Soerindre Rambocus
5 mei 1953

militair
Djiewansing Sheombar
15 april 1957

militair
 
Op 8 december is het 21 jaar geleden dat in Fort Zeelandia 15 vooraanstaande Surinamers werden gemarteld en vermoord door het toenmalige militair regime. De avond ervoor, waren zij van hun bed gelicht en werden ook de radiostations ABC en Radika, het gebouw van de Moederbond en het ochtendblad De Vrije Stem in brand geschoten door militairen. De 8-december-slachtoffers werden op de dodenlijst geplaatst, omdat zij zich beijverden voor het herstel van de democratie en rechtsstaat.

In 2000 is na 18 jaar van onvermoeibare inspanningen van nabestaanden, mensenrechtenactvisten en andere solidaire Surinamers eindelijk een begin gemaakt met het strafrechterlijk onderzoek van de decembermoorden. Daarmee is niet alleen de verjaring gestuit, maar ook een begin gemaakt met gerechtigheid tegen het onrecht dat de slachtoffers en nabestaanden is aangedaan.

Het ideaal van de 15 vooraanstaande Surinamers is werkelijkheid geworden, hun inspanningen bleken niet tevergeefs te zijn. Het gelouterde volk van Suriname zal nimmer toestaan dat de democratie en rechtsstaat weer ontnomen worden.

(bron: De Ware Tijd)

 



INLEIDING

Al jaren wordt er geroepen om een onderzoek naar gepleegde schendingen van mensenrechten in Suriname. Zo werd gesteld, dat de tijd drong met betrekking tot de 8 december “MOORDEN” 1982, omdat verjaring daarvan voor de deur zou staan [1]. Dit zou betekenen dat krachtens artikel 96 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht, achttien jaar zou zijn verstreken zonder dat er een onderzoek naar de strafbaarheid van de dader(s) is gepleegd en het gevolg daarvan zou zijn dat het recht op vervolging zou komen te verjaren.

Politieke leiders hebben zich hierover ook zorgen gemaakt. Zo heeft de voorzitter van de Nationale Partij Suriname, de heer Runaldo Venetiaan bij de presentatie van het Nieuw Front verkiezingsprogramma in 2000 aangegeven dat de verjaring van de december “MOORDEN” desnoods bij wet zal worden tegengegaan[2]. Minister Siegfried Gilds van Justitie en Politie heeft te kennen gegeven dat er met alle voortvarendheid gewerkt zal moeten worden om de stuiting van de verjaring van de december “MOORDEN” te bewerkstelligen[3].

Op 15 maart 2000 hebben de nabestaanden van de slachtoffers ondersteund door maatschappelijke organisaties, op grond van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering, een verzoekschrift ingediend bij het Hof van Justitie om te bevelen dat Desiré Delano Bouterse en zijn mededaders terzake van het strafbaar feit zoals omschreven in artikel 349 jo. artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht, strafrechtelijk worden vervolgd.

In zijn beschikking van 31 oktober 2000 beveelt Het Hof van Justitie dat de Procureur-Generaal tegen voornoemde personen een strafvervolging instelt terzake de bovenbedoelde strafbare feiten en om een gerechtelijk vooronderzoek als bedoeld in artikel 168 van het Wetboek van Strafvordering te vorderen, dan wel doet vorderen.

Krachtens artikel 98 van het Wetboek van Strafrecht werd door het instellen van deze vordering, welke een daad van vervolging is, door betekening daarvan aan de verdachten, de verjaring van de december “MOORDEN” gestuit op 17 november 2000 [4].

Uit de hierboven aangehaalde omstandigheden blijkt dat Surinamers, ieder op zijn manier, zich hebben ingezet om de verjaring van de 8-december “MOORDEN”[5] 1982 te stuiten.

Deze bewogenheid om onrecht te bestrijden is bijzonder prijzenswaardig te noemen, doch over de noodzaak tot stuiting van de verjaring, heb ik mijn bedenkingen te weten :

§   Ondanks het feit dat er in het jaar 2000 aan de zijde van Suriname nog geen
(strafrechtelijk) onderzoek was gedaan naar de “MOORDEN”, werden deze vooraf gekwalificeerd door de gemeenschap. Uit de opmerking van Amos Wako
[6], Speciale Rapporteur van de Verenigde Naties inzake standrechtelijke executies,

“ His activities in this respect, however, cannot be considered as a formal investigation which might correspond to or replace the investigations envisaged in criminal procedure in the domestic legal system or an inquest.”,

distilleer ik dat zijn rapportage geen strafrechtelijk onderzoek inhield. Een strafrechtelijk onderzoek zou moeten aantonen of er sprake is van moord en daaraan gerelateerd verjaring. Daarom zou het mijns inziens beter zijn geweest als er werd uitgegaan van schending van het recht op leven of tenminste van een strafbaar feit, in plaats van nu al te stellen dat er sprake is van moord. Vandaar dat ik “MOORDEN” tussen aanhalingstekens en kapitalen heb geplaatst.

§   In de parlementaire motie van 19 december 1995 worden de 8-december “MOORDEN” ook in het kader van de rechten van de mens genoemd. Deze motie luidt als volgt : “ De Regering te vragen onmiddellijk een onderzoek te laten instellen naar de moorden van 8 december 1982, en andere schendingen van mensenrechten;”.

Hieruit meen ik het volgende te interpreteren :

a.      het gebeurde van 8 december 1982 is moord conform artikel 349 van het Wetboek van Strafrecht; mocht hiervan sprake zijn dan betekent het dat de “MOORDEN” zouden zijn verjaard op 8 december 2000;

b.      andere schendingen van mensenrechten, waaronder die van 8 december 1982 buiten beschouwing worden gelaten;

c.      het gebeurde betreft zowel moord (artikel 349) als schending van het recht op leven conform artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR).

Aangezien de gebeurtenissen van 8 december 1982, zowel als moord en als schending van de rechten van de mens worden betiteld, heb ik me dan ook de vraag gesteld wat er in dit specifieke geval aan de orde is. Dit heeft geresulteerd in de probleemstelling :

Hoe kunnen de 8-december “MOORDEN” 1982 worden gekwalificeerd op grond van het nationaal recht en het internationaal recht en hun gevolgen met betrekking tot de verjaring ?

Het antwoord hierop heb ik getracht te vinden door bestudering van literatuur, het voeren van gesprekken met personen die op de één of andere manier kennis dragen van dit onderwerp en het doen van veldonderzoek.

Voor wat het laatste betreft, moet worden opgemerkt dat dit onderzoek een eerste inzicht verschaft ten aanzien van 8 december 1982, en in sommige gevallen is het resultaat gebruikt ter ondersteuning van mijn mening. Bij dit onderzoek zijn 100 respondenten betrokken geweest, die geselecteerd zijn uit diverse instanties in Paramaribo en uit willekeurige buurten, voornamelijk Kwatta.

De opbouw van de scriptie ziet er als volgt uit. In hoofdstuk 1 bespreek ik de 8 december “MOORDEN” 1982. Hoofdstuk 2 handelt over de kwalificatie naar het internationaal recht, terwijl in hoofdstuk 3 de kwalificatie naar het nationaal recht wordt behandeld. In hoofdstuk 4 komt de verjaring aan de orde. Eveneens komen in dit hoofdstuk aan de orde de gevolgen van de kwalificaties met betrekking tot de verjaring. Tot slot geef ik mijn conclusie weer en een samenvatting.

Opgemerkt moet nog worden dat de zinsnede “hun gevolgen met betrekking tot de verjaring" voor meerdere interpretaties vatbaar blijkt te zijn. Wat ik hiermede bedoel is “wat zijn de gevolgen van de kwalificaties met betrekking tot een eventuele verjaring”.

Voor de duidelijkheid moet ik eveneens opmerken dat het mij slechts gaat om na analyse van de feiten en omstandigheden, te komen tot een kwalificatie en de uitspraak te doen of er in dit specifieke geval verjaring van toepassing is of niet. Echter pretendeer ik niet dat deze scriptie volledig is, aangezien het onderwerp zeer complex is en beslist een brede maatschappelijke discussie en verder wetenschappelijk onderzoek behoeft.

[1] Dagblad De Ware Tijd, Kompas , “ Mensenrechtenschendingen”, 14/10/2000, pag. 5.

[2] Ibidem.

[3] Avondblad De West , “ OM belast onderzoeksteam met verhoren inzake
   8 decembermoorden” 26/10/2000, pag. 3.

[4] Organisatie voor Gerechtigheid en Vrede, brochure, Zolang zij praten, blijf ik, 2001, pag. 9.

[5] Suriname heeft intussen een aanvang gemaakt met het strafrechtelijk onderzoek.
   Het forensisch onderzoek heeft intussen plaatsgevonden, doch het resultaat daarvan is
   nog niet bekend.

[6] United Nations Economic and Social Council , Question of the violation of human rights and
   fundamental freedoms in any part of the world with particular reference to colonial and
   there dependent
countries and territories, E/CN.4/1985/17 , 12 February 1985, pag. 4.
   Hierna wordt het rapport aangeduid als rapport Wako.
 

Hoofdstuk 1

De 8-december “MOORDEN” 1982

Hoofdstukindeling
1.1 Wat vooraf ging aan 8 december 1982
1.2 De casus
1.3 Analyse van de feiten en omstandigheden
Voetnoten

1.1 Wat vooraf ging aan 8 december 1982

 “ In naam van de soevereine Republiek Suriname verklaren wij van de Nationale

Militaire Raad, dat op heden besloten is om de militaire-, politie- en bestuurlijke leiding van de Republiek Suriname in de ruimste zin des woords over te nemen” [1],

aldus een passage uit de verklaring gedaan op 25 februari 1980, nadat zestien militairen een coup hadden gepleegd en zij de democratische regering onder leiding van Minister-President Henk Arron (†) hadden afgezet.

Vanaf dit moment, meen ik dat Suriname geconfronteerd werd met ernstige schendingen van de rechten van zijn burgers, waarbij exponenten bekleed met (staats)macht deel aan hadden.

In de nacht van 24 op 25 februari 1980 werden twee hoge militaire functionarissen, respectievelijk Luitenant J. van Aalst en Sergeant Majoor Comvalius, op hun posten zonder pardon neergeschoten. Ook de politieagent Sultan werd dezelfde nacht doodgeschoten en een andere zwaar gewond, toen zij in opdracht van de chef van dienst poolshoogte namen in de militaire kazerne aan de Verlengde Gemenelandsweg[2].

De ex-militair Ormskerk werd in mei 1981 ervan beschuldigd plannen te hebben voor een tegencoup. Hij werd op bloedige wijze mishandeld en tenslotte waarschijnlijk doodgewurgd[3].

Bij de terreur actie door de Militaire Politie bij de familie Mahes te Uitkijk werden drie mannelijke leden van deze familie in het bijzijn van vrouw en kinderen erg mishandeld. Tijdens het verhoor werd Deta Mahes door Sergeant Lachman met tussenpozen drie keer in het been en kruis geschoten en het genadeschot kreeg hij in de kin[4].

In andere gevallen naar de burgers toe liet het optreden van de militaire machthebbers ook veel te wensen over. Te denken valt aan de onmenselijke behandeling die hen ten deel viel, indien zij als gevolg van een vermeend strafbaar feit werden opgepakt[5].

In maart 1982 pleegden militairen en burgers onder leiding van Luitenant S. Rambocus (†) een coup, gericht op het houden van vrije en geheime verkiezingen. Majoor W. Hawker (†), die in maart 1981 een couppoging had ondernomen en hiervoor tot vier jaar gevangenisstraf was veroordeeld, werd uit detentie gehaald om zich in deze strijd te werpen. Daarbij raakte hij gewond en liggend op een brancard werd hij geëxecuteerd[6].

Nadat de executie had plaatsgevonden werd bekendgemaakt dat het Decreet A-7-A van 11 maart 1982 (S.B. 1982 no. 51) de grondslag daartoe bood. Dit decreet betreft de berechting van personen, die gedurende de oorlogs/noodtoestand de nationale veiligheid daadwerkelijk in gevaar brengen.

Ondanks het feit dat Suriname zich op mondiaal niveau heeft gecommitteerd enkele verdragen inzake de rechten van de mens te eerbiedigen, waaronder het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en het eerste Facultatief Protocol daarbij, blijkt dat dit decreet in strijd is met artikel 15 van voornoemd verdrag, namelijk dat er geen strafbaarheid met terugwerkende kracht mag worden opgelegd aan personen. Verder blijkt dit decreet in strijd te zijn met het legaliteitsbeginsel dat ingebed is in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht. Deze executie heeft er dan ook voor gezorgd dat het rechtsbewustzijn van de Surinaamse bevolking een verandering doormaakte.

Door het veranderende rechtsbewustzijn nam de populariteit die de militaire machthebbers aanvankelijk genoten bij delen van de bevolking af, immers was beloofd Suriname te redden van de ondergang[7], doch niets bleek minder waar. Intussen ging het bergafwaarts met de Surinaamse economie en ook onder dit regime vierde nepotisme hoogtij met als gevolg dat de weg van oppositie voeren, werd gecontinueerd.

Zo waren er in oktober 1982 stakingen geleid door Cyrill Daal (†) van de Moederbond. Daarnaast wierpen maatschappelijke groeperingen en andere instituten zich in de strijd. Hierbij moet worden opgemerkt dat zowel de Progressieve Werknemers Organisatie als de Centrale van Landsdienarenorganisatie en de Vakcentrale C-47, de heer Wako hebben geïnformeerd dat zij zich niet hadden aangesloten bij de stakingen, omdat zij de mening waren toegedaan dat deze niet sec voor vakbondsactiviteiten bedoeld waren, maar om politieke doeleinden te bereiken[8].

Uiteindelijk heeft deze strijd tot gevolg gehad dat het recht op leven van vijftien burgers werd geschonden.

 

1.2 De casus

In de nacht van 7 op 8 december 1982 zijn veertien personen, die als leiders van de contra-revolutionaire groep werden gezien, in opdracht van het Militair Gezag gearresteerd en overgebracht naar het Fort Zeelandia. Luitenant S. Rambocus (†) en de militair-officier D. Sheombar (†), die zich reeds in detentie bevonden vanwege hun aandeel in de couppoging van maart 1982, werden uit hun cellen gehaald en eveneens overgebracht naar het Fort Zeelandia.

De arrestaties werden verricht door militair personeel[9], waarbij in twee gevallen geweerschoten zijn gelost en handgranaten zijn gebruikt. Twee van de door mij geraadpleegde rapporten geven aan dat alle  telefoonlijnen onbruikbaar zijn gemaakt [10] en één maakt er gewag van dat het in enkele gevallen is gebeurd.

Door de heren J. Slagveer (†)  en A. Kamperveen  (†) werden er op woensdagavond 8 december 1982, bekentenissen voorgelezen via de Surinaamse Televisie Stichting. Daarbij gaven zij aan dat enkele personen waren gearresteerd, omdat zij conspireerden tegen de militaire machthebbers. Deze verklaring werd ook in De Ware Tijd van 9 december 1982 gepubliceerd, waarin de namen van Bram Behr (†)  en Leslie Rahman (†) niet werden genoemd, terwijl het rapport Wako op pagina 8 de namen van Frank Wijngaarde (†) en J. Slagveer (†) toevoegt.

Om tot nog toe onbekende redenen werd slechts de vakbondsleider Frederik Derby[11] (†), één der gearresteerden in vrijheid gesteld.

Op 9 december 1982 bleken de overige dertien personen, alsmede de heren S. Rambocus en D. Sheombar, volgens een verklaring van het Militair Gezag het leven te hebben gelaten toen zij een vluchtpoging ondernamen.

Door diverse internationale organisaties zijn fact-findings onderzoeken gepleegd en zijn deze de volgende meningen toegedaan :

Speciale Rapporteur van de Verenigde Naties, AmosWako[12] :

“ On the basis of the information in his possession, the Special Rapporteur finds that summary or arbitrary executions took place on the night of 8-9 December in  Fort  Zeelandia”.

Volgens R. van Dongen, is Amnesty International van mening dat alle vijftien waren gemarteld en zonder proces geëxecuteerd”[13].

Het Nederlands Juristen Comité voor Mensenrechten[14] :  “De verwondingen zoals geconstateerd leiden tot de conclusie dat de 14 Surinamers en 1 Nederlander zwaar zijn gemarteld en opzettelijk ter dood zijn gebracht”.

Inter-American Commission on Human Rights[15]: “(...) the overwhelming evidence obtained by the Commission indicates that the fifteen were brutally tortured before being killed and that high government officials participated, directly or indirectly, in their deaths”.

 

1.3 Analyse van de feiten en omstandigheden

Zoals aangegeven in paragraaf 1.2 zijn de arrestaties verricht op grond van het feit dat de op 8 december 1982 vermoorde personen verdacht werden zich schuldig te hebben gemaakt aan contra-revolutionaire activiteiten. Het O.A.S.- en het N.J.C.M. – rapport vermelden respectievelijk hieromtrent “ (...) who were all involved in a coup attempt(...)[16]; “ (...) een poging tot machtsovername te kunnen verijdelen” [17].

Het Militair Gezag heeft echter niet kunnen bewijzen dat de gearresteerden een coup aan het voorbereiden waren, omdat door het Militair Gezag nimmer concreet is aangegeven waaruit de vermeende contra-revolutionaire handelingen bestonden. Nadat de “MOORDEN” hadden plaatsgevonden en wel in januari 1983 had het Militair Gezag de indruk dat met medewerking van de C.I.A. er plannen waren om dit gezag omver te werpen,

“The military leaders felt their fears of CIA involvement were justified when in January 1983 there was a television programme on ABC networks in the United States showing that Suriname was one of the countries where the CIA was planning activities aimed at overthrowing the Government”[18].

Voor het geval betrokkenen daadwerkelijk een machtsovername aan het voorbereiden waren, meen ik dat het decreet A-7-A van 11 maart 1982 artikel 1 (S.B. 1982 no. 51) de machthebbers de ruimte bood om personen die een poging hadden gewaagd het wettig gezag omver te werpen, te berechten. Dit lid luidt als volgt :

“Militairen en burgers, die afzonderlijk of in vereniging gedurende de tijd dat de oorlogs- dan wel de noodtoestand voortduurt, pogingen ondernemen het wettig militair of burgerlijk gezag gewapenderhand omver te werpen, staan in eerste instantie terecht voor het kader van het Nationaal Leger, welk lichaam hierbij wordt aangeduid als Krijgsraad te velde.”

Uit dit lid is af te leiden dat aan de voorwaarde moest zijn voldaan dat de omverwerping gewapenderhand plaats diende te vinden, hetgeen in casu niet zichtbaar was. Het komt mij voor dat er ook geen sprake was van oorlogs- of noodtoestand, doch eerder van een machtsstrijd op het politieke front.

Ondanks het ontbreken van de voorwaarden tot omverwerping, blijkt dat het Militair Gezag overgegaan is tot het schenden van het recht op leven van betrokkenen, hetgeen aangeeft dat het Militair Gezag willens en wetens c.q. opzettelijk deze daad heeft verricht.

Het verwijt dat de vijftien personen mogelijk gemaakt kon worden is, dat zij in strijd met de artikelen 132 en 169 van het Wetboek van Strafrecht, getracht hadden het gevestigde gezag dat in handen was van het gewelddadige Militair Gezag te verstoren, met het nobel-ideologisch doel de democratie te herstellen[19].

Ik vraag mij af of bovengenoemd doel zou worden bereikt, zonder dat er geweld aan te pas zou komen, gezien de toen heersende sfeer van politieke onrust. Behalve dat de Grondwet was opgeschort ex Algemeen Decreet A van 13 augustus 1980 ( S.B. 1980 no. 59 ), werd ook het parlement ex Algemeen Decreet A-1 van 13 augustus 1980 (S.B. 1980 no. 60) buitenwerking gesteld.

Hazewinkel-Suringa[20] stelt dat bij het uitschakelen van een tiran of een tirannieke regering geweld zal moeten worden gebruikt en dit zal al gauw tot “moord” leiden. Het komt mij voor dat het Militair Gezag dit moment niet heeft afgewacht en zelf tot “moorden” is overgegaan. Vanuit dit principe spreken de volgende stellingen voor zich, en daaruit distilleer ik tevens de voorbedachte rade:

“ But they don’t say what would have happened if these persons and all the reactionaries would have achieved their purposes and all the progressive forces were to be killed.  “(...) You can see that it isn’t the Revolution that invites the mercenaries here, but if they come, we shall have to defend the Revolution” .[21];

The military officers informed the Special Rapporteur that the events of December 1982 were considered as “necessary” and “based on the principle of survival”, it was a question of either “them” or “us”.[22]

Voor wat de verklaring afgelegd door het Militair Gezag op woensdagavond 8 december 1982 betreft:

“Vannacht hebben wij een poging tot een machtsovername die met veel verlies van mensenlevens gepaard zou gaan vroegtijdig kunnen verijdelen. (...) Wij hadden geen andere keus dan op te treden en af te rekenen[23] met deze plannen.”;

meen ik, gezien de betekenis van de term “afrekenen" namelijk het zich er niet meer inlaten/afdoen, dat in deze (afrekenings) verklaring, eveneens de voorbedachte rade c.q. opzet ligt opgesloten om de gearresteerden van het leven te beroven.

Met betrekking tot de vluchtpoging ondernomen door de gearresteerden, blijkt dat hoewel er geen autopsie is verricht, getuigen die kennis hebben van wapens en wapenverwondingen hebben verklaard, dat de schotwonden in de buik en borst inschotwonden waren, hetgeen wil zeggen dat de gearresteerden van voren moeten zijn neergeschoten en naar alle waarschijnlijkheid niet zoals gesteld op de vlucht[24]. Alle lichamen vertoonden sporen van kogelgaten in borst, buik, gezicht en ledematen, alsmede sporen van zware mishandeling in het gezicht[25].

Gelet op deze kogelinslagen kan gesteld worden dat er is geschoten met het doel om te doden. Een ander oogmerk zou, gelet op de gebruikte wapens, inslagen in de benen en/of het onderlichaam tonen.

Als ervan wordt uitgegaan dat de gearresteerden in een wanhopige vluchtpoging de richting van de wacht oprenden, dan zijn de inschotwonden te verklaren. Echter stelt Zeeuw[26] dat de enige weg die genomen kon worden om te vluchten, was, te springen over de muur. Deze daad zou betekenen dat de gearresteerden 20 voet naar beneden in de Suriname rivier zouden belanden. Bovendien stelt hij dat alle andere uitgangen werden bewaakt.

Ook heeft Zeeuw verklaard dat het verhoor van Rahman en Slagveer werd afgenomen toen hij, Zeeuw, de schoten hoorde[27]. De vraag die naar aanleiding hiervan gesteld kan worden is : Waar heeft het aan gelegen dat ook deze personen het leven ”op de vlucht” hebben gelaten; want zij hoorden niet bij de groep die de vluchtpoging hadden ondernomen ?

Andere verklaringen door Zeeuw afgelegd doen nog meer vragen rijzen, omdat deze eveneens in strijd zijn met verklaringen afgelegd door het Militair Gezag. Zo heeft het Militair Gezag op donderdagavond 9 december 1982 verklaard dat :

“ (...) Op het moment dat het vervoer van het Fort naar de kazerne zou plaatsvinden voltrok zich het noodlottig gebeuren, waarbij een deel der verdachten het leven liet “. 

Zeeuw daarentegen stelt dat de dienstdoende militair ervan uitging dat de personen probeerden te ontvluchten en daarom zou er zijn geschoten. Uit deze verklaring is niet te distilleren op welk moment er is geschoten. Het kan zijn op het moment van vervoer of op een ander tijdstip.

In algemene bewoordingen is aangegeven dat de executies een onderdeel van het plan waren en dat ze zouden zijn uitgevoerd door de militaire autoriteiten zelf [28]. Als er inderdaad sprake was van een plan om de mensen van het leven te beroven, dan kan gesteld worden dat de levensberoving wel opzettelijk en met voorbedachte rade is geschied. Een indicatie hiertoe kan ook gevonden worden in het feit dat Rambocus en Sheombar reeds veroordeeld waren wegens conspiratie inzake de couppoging van maart 1982. Nochtans werden zij toegevoegd aan de groep gearresteerden van 8 december 1982.

Met het oog op een tijdsverloop van bijkans 21 jaar kan waarheidsvinding in casu problematisch zijn. Echter ben ik, op grond van het ontbreken van een autopsie rapport, de tegenstrijdige verklaringen afgelegd door de militaire officieren, inclusief het Militair Gezag, van mening dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het elimineren van de vijftien personen heeft plaatsgevonden in opdracht van het Miltiair Gezag en dat het recht op leven van deze personen is geschonden.


Voetnoten

[1] Slagveer J., De nacht van de Revolutie, 1980, pag. 74.

[2] Levens R. , Schendingen van Mensenrechten in Suriname gedurende de periode 1980 tot
     en met 1990, doctoraal scripite Rechten, Universiteit van Suriname, 2000, pag. 24.

[3] Fernandes Mendes H., Suriname en mensenrechten, N.J.C.M. bulletin Nederlands
     tijdschrift mensenrechten no. 2, jaargang 8, 1983, pag. 109.

[4] Supra noot 9.

[5] Het is van algemene bekendheid dat de “bulle pees” een geliefd middel was om te
     straffen, indien burgers strafbare feiten hadden begaan. Een bron heeft mij geînformeerd
     burgers gezien te hebben die letsels hadden opgelopen als gevolg van de “bulle pees” . 
     Zij werden in het militair hospitaal opgenomen . In het voormeld ziekenhuis werden zij
     voorgeleid bij de toenmalige Officier van Justitie mr. Kuhn.

[6] Organization of American States , Report on the situation of Human Rights in Suriname,
     October 5,
1983, OAS/Ser.L/11.61, 1983 , pag. 16. Hierna aangeduid als het O.A.S-
     rapport, 1983.

[7] Organisatie van Gerechtigheid en Vrede, brochure, Sporen zoeken, pag. 35.

[8] Rapport Wako , pag. 4.

[9] Rapport Wako pag. 7.

[10] De rapporten Wako (pag. 7 ) en O.A.S.- rapport 1983 (pag. 28) geven het eerste aan
      en terwijl het Rapport van het Nederlans Juristen Comité voor de Mensenrechten, De
      gebeurtenissen in Paramaribo, Suriname 8-13 december 1982, Leiden, 1983, pag. 4., het
      laatste aangeeft. Hierna wordt dit rapport aangeduid als N.J.C.M. rapport.

[11] Derby overleed op 19 mei 2001. Dagblad De Ware Tijd, “De getuigenis van Fred Derby” ,
      04/06/2001, pag. 5.

[12]  Rapport Wako, pag. 16.

[13] Dongen van R., De decembermoorden berecht ? Doctoraal scriptie Vrije Universiteit
      Amsterdam, 1999, pag. 6.

[14]  N.J.C.M. rapport, pag. 14.

[15]  O.A.S.-rapport 1983, pag. 45.

[16]  O.A.S. rapport 1983, pag. 28.

[17]  N.J.C.M. rapport , pag. 6.

[18]  Rapport Wako, pag. 7.

[19]  Supra noot 4 , pag. 10.

[20] Hazewinkel-Suringa D., bijgewerkt door Remmelink J., Inleiding tot de studie van het
      Nederlandse strafrecht, 12e druk, pag. 103.

[21] O.A.S-rapport, 1983 , pag. 31-32.

[22] Rapport Wako,1985, pag. 7.

[23] Eigen vetdruk. Betekenis uit : Dale van, 1984 Groot Woordenboek hedendaags
       Nederlands.

[24] N.J.C.M. rapport , pag. 11.

[25] Supra noot 25, pag. 70.

[26] Rapport Wako, 1985, pag. 8. De heer Zeeuw behoorde tot de groep zestien die de macht
      hadden overgenomen op 25 febrauri 1980. Tijdens het militair regime was ook hij één der
      hoge officieren.

[27] Ibidem.

[28] Rapport Wako, pag. 3.



Hoofdstuk 2

KWALIFICATIE VAN DE “MOORDEN” NAAR INTERNATIONAAL RECHT

Hoofdstukindeling
2.1 Inleiding
2.2 De visie van het VN-Comité voor de Rechten van de Mens
2.3 De relatie tussen het internationaal en nationaal recht
2.4 De betekenis van de rechten van de mens en het recht op leven
2.4.1 Algemene aspecten
2.4.2 De rechten van de mens en het recht op leven

2.5 Grove en systematische schendingen van de rechten van de mens en misdrijven tegen de menselijkheid

2.6 Kwalificatie

Voetnoten


2.1 Inleiding

Vandaag de dag behoort het zo te zijn dat het internationaal recht een meer integraal deel van het nationaal recht gaat vormen. Als gevolg van de grensoverschrijdende criminaliteit en daaraan gekoppelde rechtshulpverzoeken c.q. uitleveringszaken zijn landen steeds meer op elkaar aangewezen. Ook doordat landen (mensenrechten) verdragen sluiten, erkennen zij dat voor een optimale rechtsontwikkeling en handhaving van maatschappijen samenwerking noodzakelijk is.

Hiervan waren de toenmalige machthebbers zich terdege bewust getuige de verklaring afgelegd door de Nationale Militaire Raad[1] op 25 februari 1980.

(...) verdragen die met de Republiek Suriname gesloten zijn te eerbiedigen en onderschrijft de doelstellingen van de Verenigde Naties en de beginselen waarop deze internationale organisatie is gegrondvest. Uitdrukkelijk erkent de Raad alle fundamentele rechten van de mens (...) verdragen.[2]

Voornoemde verplichting werd wederom opgenomen in de preambule van het Statuut Basisrechten en Plichten van het Surinaamse volk ( decreet A-11 van 25 maart 1982 S.B. 1982 no. 63) , welke als volgt luidt “de fundamentele menselijke rechten voor het Surinaamse volk te garanderen”.

Op grond van bovengenoemde overwegingen meen ik dat de visie van het VN - Comité voor de Rechten van de Mens inzake de gebeurtenis van 8 december 1982, niet terzijde geschoven kan worden.

2.2 De visie van het VN-Comité voor de Rechten van de Mens

Enkele nabestaanden van de op 8 december 1982 omgekomen slachtoffers hebben zich, door middel van kennisgevingen d.d. 5, 31 juli 1983, en 4 augustus 1983, gewend tot het VN-Comité voor de Rechten van de Mens. Daarbij hebben zij aangegeven dat de rechten opgenomen in de artikelen 6,7,9,10,14 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten [3],  van de slachtoffers zijn geschonden. Op 10 april 1984 heeft het Comité zich ontvankelijk verklaard kennis te nemen van deze klacht.

Krachtens artikel 5 paragraaf 4 van het eerste Facultatief Protocol behorend bij het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten heeft het VN-Comité voor de Rechten van de Mens, bij het innemen van een standpunt op 4 april 1985 het volgende overwogen[4]:

§  “The Committee notes that the death certificates submitted by the State party is dated nearly two years after the killings and does not indicate whether the medical doctors who signed the certificate had carried out any autopsies or whether they had actually seen the bodies. The death certificate merely confirm that “on 9 December 1982” the following persons died, probably as a result of gunshot wounds…”.

§   Op het verzoek van het Comité aan de Staat om copieën te overleggen van medische rapporten en andere rapporten over enig onderzoek gedaan naar de dood van de slachtoffers heeft de Staat niet gereageerd.

“In this connection, the Committee stresses, as it has done in a number of other cases
     (…)that it is implicit in article 4 (2) of the optional Protocol that the state party has the
     duty to investigate in good faith all allegations of violation of the Covenant made
     against it and its authorities and so furnish to the Committee the information available
     to it. In cases where the allegations are corroborated by evidence submitted by the
     authors and where further clarification of the cases depends on information exclusively
     in the hands of the State party, the Committee may consider the author’s allegations as
     substantiated in the absence of satisfactory evidence and explanations to the contrary
     submitted by the State party.

§   Voor wat artikel 6 lid 1 IVBPR betreft, stelt het Comité “Every human being has the inherent right to life. This right shall be protected by law”. No one shall be arbitrarily deprived of his life”:

“The right enshrined in this article is the supreme right of the human being. It follows
that the deprivation of life by the authorities of the State is a matter of the utmost gravity. This follows from the article as a whole and in particular is the reason why paragraph 2 of the article lays down that the death penalty may be imposed only for the most serious crimes. The requirements that the right shall be protected by law and that no one shall be arbitrary deprived of his life mean that the law must strictly control and limit the circumstances in which a person may be deprived of his life by the authorities of a State. In the present case it is evident from the fact that 15 prominent persons lost their lives as a result of the deliberate action of the military police that the deprivation of life was intentional. The state party has failed to submit any evidence proving that these persons were shot while trying to escape”.

Het VN-Comité voor de Rechten van de Mens is van mening dat,

“(...) the victims were arbitrarily deprived of their lives contrary to article 6 (1) of the International Covenant on Civil and Political Rights.

Derhalve heeft het VN-Comité voor de Rechten van de Mens erop aangedrongen dat de Staat Suriname effectieve stappen onderneemt te weten :

·    to investigate the killings of December 1982;

·    to bring to justice any persons found to be responsible for the death of the victims;

·    to pay compensation to the surviving families and,

·    to ensure that the right to life is duly protected in Suriname.

Opmerkelijk is dat het Comité een uitspraak gedaan heeft over de casus van 8 december 1982 en niet slechts over de kwestie van Baboeram en zeven anderen. Het blijkt dat het Comité de overige slachtoffers heeft ingelezen c.q. aangevuld en zich niet strict gehouden heeft aan de klacht van de acht nabestaanden. De informatie waar het Comité kennis van droeg, is in het proces ingebracht.

Voor wat de rechtsbeleving naar de overige nabestaanden toe betreft, acht ik deze ontwikkeling gepast. Wil er recht gesproken worden dan dienen hiaten binnen een specifieke zaak ingevuld te worden. Door deze aanvulling meen ik dat er een verschuiving is gekomen in de beoordeling van rechtsgeschillen, waarbij niet alleen op basis van de feiten of omstandigheden die aan de orde zijn gesteld wordt beoordeeld.

In casu heeft het Comité gesteld dat het recht op leven in artikel 6 van het IVBPR is geschonden. Mijns inziens ligt hierin de kwalificatie opgesloten, omdat de enkele schending van rechten of een strafbaar feit oplevert of een inbreuk maakt op de beleving van rechten.

Daarnaast meen ik dat het bij mensenrechten verdragen om rechten gaat. Uitspraken gedaan door het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens inzake de Aloeboetoe case[5], Gangaram Panday[6], Velásquez-Rodriquez [7] e.a. bevestigen dit principe. Door het Hof werd o.m. erkend dat de rechten van deze individuen waren geschonden en op grond daarvan werd de Staat veroordeeld schadevergoeding te betalen aan de nabestaanden.

Ten aanzien van “Rechten” is Henkin van mening, “Human rights are rights. (...) To call them “rights” implies that they are claims “as of right” not by appeal to grace, or charity, or brotherhood, or love; they need not be earned or deserved”. (...) When a society recognizes that a person has a right, it affirms, legitimates, and justifies that entitlement, and incorporates and establishes it in the society’s system of values, giving it important weight in competition with other societal values” [8]. hetgeen ik volledig onderschrijf met betrekking tot het recht op leven.

Ondanks het feit dat de waarborgen van de verdragen in de nationale wetgeving tot uitdrukking zijn gebracht, kan het voorkomen dat er een waarborg in het verdrag voorkomt doch die niet uitdrukkelijk tot uiting is gekomen in de nationale wetgeving, vooral daar het rechten betreft.

Ondanks het feit dat het recht op leven in het IVBPR expliciet wordt beschermd, blijkt er geen sanctie te zijn opgenomen voor overtreders van dit recht. Kennelijk gaan de verdragstaten ervan uit dat de bescherming afdoend is geregeld op nationaal niveau.

De gebeurtenis van 8 december 1982 waarbij het recht op leven is geschonden, levert een strafbaar feit op. Schending van het recht op leven vindt zijn weerslag in het Wetboek van Strafrecht, echter voldoen de delictsomschrijvingen in dit specifieke geval, niet adequaat, hetgeen niet ondenkbaar is. Het is een bijna onmogelijke taak van de wetgever te verwachten dat hij elke strafbare gedraging van de mens kan voorzien of de omstandigheden die tot een strafbaar feit zouden kunnen leiden. Dit betekent dat op nationaal niveau in ieder geval de hiaat opgevuld zal moeten worden door de wetgever of de rechter.
 

2.3 De relatie tussen het internationaal en nationaal recht

Aangezien het op internationaal vlak vaststaat dat Suriname een verdragsbepaling heeft geschonden, dient de vraag beantwoord te worden wat de verhouding is tussen het internationaal en nationaal recht. Daarbij zijn er twee benaderingen te onderscheiden namelijk, de monistische en de dualistische.

Het monisme gaat uit van de eenheid van het recht, waarbij de internationale rechtsorde voorrang heeft op de nationale. Bij onverenigbaarheid van een regel van het internationaal recht met die van het nationaal recht, geniet die van het internationaal recht voorrang[9].

Wat het dualisme betreft, blijkt dat hier sprake is van gescheidenheid van rechtssferen. De nationale rechter heeft slechts te doen met het nationaal recht. Wil er een beroep worden gedaan op een regel van internationaal recht, dan dient deze eerst te zijn getransformeerd naar het nationale recht. De getransformeerde regel wordt dan niet als internationale rechtsregel toegepast, doch als een nationale[10].

Voor wat Suriname betreft geven de artikelen 103, 105 en 106 van de Grondwet inzicht in deze materie. De artikelen luiden als volgt :

§  artikel 103 :

”Overeenkomsten met andere mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties worden door of met machtiging van de President gesloten en voor zover de overeenkomst dat eist, door de President bekrachtigd. Deze overeenkomsten worden zo spoedig mogelijk aan De Nationale Assemblee medegedeeld; zij worden niet bekrachtigd en treden niet in werking dan nadat zij door De Nationale Assemblée zijn goedgekeurd”.

“Bepalingen van de in artikel 103 bedoelde overeenkomsten, welke naar de inhoud een ieder kunnen binden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt”. ;

“Binnen de Republiek Suriname geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, wanneer deze niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten, die hetzij voor, hetzij na de totstandkoming van de voorschriften zijn aangegaan”.

Door interpretatie van eerderaangehaalde artikelen, meen ik in artikel 103 het dualistische systeem te distilleren, terwijl in de artikelen 105 en 106 het monistische systeem ingebed is. De laatste bepalingen stellen dat de ieder verbindende bepalingen van overeenkomst rechtstreekse werking hebben en dat betekent dat deze voorrang hebben op de nationale regels.

Voor wat de rechtstreekse werking betreft, stelt Kooijmans dat de aard van de rechtsregel in ogenschouw moet worden genomen, namelijk of die zodanig is geformuleerd dat daaruit kan worden afgeleid dat het de bedoeling is, rechten te scheppen voor een individu, waardoor hij een beroep daarop zou kunnen doen bij de rechter[11], hetgeen in casu van toepassing is .

Ook Henkin deelt deze visie ,

“Because the international law of human rights is made by states assuming obligations ( the state as legislator), the international instruments focus at first on the state’s obligations; it is the state’s undertaking that creates the law. But under that laws after it is in effect, the focus shifts sharply”. The instruments are designated as dealing with the rigths of individuals, and there is reference to individual rights in every article[12].

Op grond van de Grondwet en de rechtstreekse werking van een ieder verbindende bepaling van overeenkomst in casu het IVBPR en de stellingen aangehaald in deze paragraaf, dient Suriname zich te committeren aan de uitspraak gedaan door het VN-Comité voor de Rechten van de mens.

In dit kader moet worden opgemerkt, dat ondanks het feit dat Suriname de Inter-Amerikaanse Conventie voor de Rechten van de Mens heeft geratificeerd, de legaliteitseis zich ertegen zou verzetten dat er een beroep op dit verdrag wordt gedaan, omdat Suriname hiertoe is toegetreden nadat de “MOORDEN” hebben plaatsgevonden en wel op 12 november 1987. Echter blijkt dat er een beroep kan worden gedaan op het verdrag inzake de oprichting van de Organisatie voor Amerikaanse Staten oftewel de “Charter”[13]

2.4  De betekenis van de Rechten van de Mens en het recht op leven

2.4.1 Algemene aspecten

Als gevolg van de wandaden gepleegd, tijdens de Tweede Wereldoorlog door het nationaal-socialistisch bewind in Duitsland, waarbij zes miljoen Joden, zigeuners, homosexuelen en politieke tegenstanders werden gemarteld en vermoord zijn vele internationale mensenrechten verdragen tot stand gekomen. De begrippen “genocide” en “misdrijven tegen de menselijkheid” zijn volgens Baehr[14] onverbrekelijk verbonden met deze periode .

Mondiaal bleek het besef te zijn doorgedrongen dat deze wandaden zich nimmer mochten herhalen en dat de rechten van de mens meer dan ooit gewaarborgd moesten worden, hetgeen uit de preambule van het Handvest van de Verenigde Naties kan worden gedistilleerd ,

“ (...) komende geslachten te behoeden voor de gesel van de oorlog, die tweemaal onnoemelijk leed over de mensheid heeft gebracht” ;

 “ opnieuw ons vertrouwen te bevestigen in de fundamentele rechten van de mens in de waardigheid en de waarde van de menselijke persoon” .

Ook het verdrag inzake de oprichting van de Organisatie van Amerikaanse Staten stoelt ondermeer op het principe de rechten van de mens te zullen respecteren, waarbij eveneens sprake moet zijn van een representatieve democratie, aangezien deze een conditio sine qua non is voor stabiliteit, vrede en ontwikkeling in een land[15]

Ondanks het besef wereldwijd dat de rechten van de mens onder alle omstandigheden gewaarborgd dienden te zijn, bleek toch dat op nationaal niveau de schendingen daarvan niet werden onderzocht en berecht. Dit heeft tot gevolg gehad dat de internationale gemeenschap zich begon te roeren. Zo zijn na de Tweede Wereldoorlog de Tribunalen van Neurenberg en Tokyo[16] ontstaan waarbij de politieke en militaire leiders van Duitsland en Japan die zich schuldig hadden gemaakt aan internationale misdrijven [17] werden berecht.

Zo besloot ook de Veiligheidsraad naar aanleiding van de gebeurtenissen respectievelijk in het voormalige Joegoslavië en Rwanda Tribunalen op te richten. De instelling van deze Tribunalen heeft de behoefte aan een Permanent Internationaal Strafhof versterkt, omdat ad hoc Tribunalen een willekeurig karakter hebben met dien verstande dat in het ene geval wel een Tribunaal wordt opgericht en in het andere geval niet[18]. Thans is het Internationaal Strafhof[19]een feit met als doel, het bewerkstelligen van een effectieve berechting en vervolging van schenders van mensenrechten [20].

2.4.2 De rechten van de mens en het recht op leven

Mensenrechten zijn volgens Baehr een verzameling van internationaal vastgestelde normen, standaarden, regels ten aanzien van het gedrag van staten zowel tegenover hun eigen burgers als tegenover anderen [21]. Deze rechten [22] schrijven voor wat staten niet mogen doen (staatsonthouding) en wat zij moeten doen (verplichtingen).

 Henkin’s visie ten aanzien van mensenrechten is als volgt [23] :

"Human rights is the idea of our time. It asserts that every human being, in every society, is entitled to have basic autonomy and freedoms respected and basic needs satisfied. These claims by every individual against his society are designated “rights”, presumably in some moral order, perhaps under “natural law” .

“Human rights aim at promoting and protecting the dignity and integrity of every individual human being” [24]

De rechten van de mens leggen niet alleen aan staten de verplichting om deze rechten te waarborgen, doch ook aan individuen worden er rechten toegekend. De toekenning betekent mijns inziens dat de burgers ook de verplichting hebben deze rechten te eerbiedigen. Gebeurt dit niet, dan betekent het dat zij zich eveneens schuldig maken aan het schenden van mensenrechten en het niet slechts is voorbehouden aan staten.

Het principe van Neurenberg waarbij aangegeven wordt dat staten niet kunnen handelen anders dan door middel van personen, omdat staten ficties zijn, doet hier opgeld [25], want het zijn de burgers zelf die de rechten van de mens c.q. van elkaar schenden en niet de staat. De staat laat na deze schendingen adequaat te onderzoeken c.q. te berechten. Dit nalaten heeft tot gevolg dat de staat het verwijt wordt gemaakt pleger te zijn van schendingen van mensenrechten.

Baehr stelt verder dat de rechten van de mens niet absoluut zijn en dat de inhoud daarvan door de tijd heen kan veranderen, hetgeen ik met hem eens ben, omdat de opvattingen omtrent wat “recht” is van tijd en plaats zullen verschillen, behalve in het geval van het recht op leven.

Ik ben de mening toegedaan dat hier sprake is van een absoluut recht en wel vanaf het moment waarop besloten wordt dat het individu het recht op leven in de wereld mag beleven. De staat en iedere actor of mens hierbij heeft de verplichting dit recht te beschermen. Uit het onderzoek blijkt dat 14,3% zich met deze stelling kan verenigen, terwijl 34,7 % voorstander is van bescherming van het recht op leven vanaf het moment van de conceptie, en 40,8% prefereert absolute bescherming daarvan[26].

Voor wat een rangorde van de rechten van de mens betreft, stelt Baehr dat er in officiële kringen, daar geen sprake van is. Hij stelt dat binnen de Verenigde Naties er een principiële afkeer bestaat om sommige rechten belangrijker te beschouwen dan andere[27].

In tegenstelling tot wat Baehr aangeeft, meen ik dat het VN-Comité thans wel voorrang aan het recht op leven geeft. Inzake de gebeurtenissen van 8 december 1982 heeft het Comité ten aanzien van artikel 6 van het IVBPR, het recht op leven,  gesteld  “ The right enshrined in this article is the supreme right of the human being”. Bovendien heeft het Comité het niet nodig geacht de overige schendingen die in deze zaak aan de orde waren gesteld te onderzoeken “ In the circumstances, the Committee does not find it necessary to consider assertions that other provisions of the Covenant were violated’ [28].  

Voorrang aan het recht op leven, meen ik eveneens te ontlenen aan artikel 4 lid 2 van het IVBPR, omdat daarin is overeengekomen dat zelfs als er sprake zou zijn van een algemene noodtoestand er ten aanzien van ondermeer het recht op leven geen afwijkende regeling getroffen mag worden.

Voor wat het recht op leven betreft, stelt Henkin ,

“ If there are any rights more fundamental than other for achieving that aim, surely they are the rights to life, to physical integrity, and liberty. On these, all other rights depend, without these, other rights have little or no meaning”[29].;

een stelling die ik ondersteun, omdat zonder leven er geen sprake kan zijn van (mensen) rechten, noch de beleving ervan. Hieruit is eveneens op te maken dat het  recht op leven een fundamenteel mensenrecht, dat de basis vormt voor de mensheid. Beroving van dit recht, dient derhalve nimmer aan verjaring onderhevig te zijn.

Verder stelt hij dat iemand ” beroven van het recht op leven”, gelijk staat aan moord [30], omdat dit recht juist bedoeld is, de persoon tegen het doden te beschermen. Dit betekent dat als de bescherming van het recht op leven komt weg te vallen, er sprake is van moord, hetgeen verder geen bewijs behoeft. In casu erg toepasselijk, vandaar dat ik deze stelling ondersteun.

Voor wat het internationaal recht betreft is overeengekomen dat het recht op leven bescherming behoeft. Deze rechten zijn opgenomen met de bedoeling dat de staat en individuen zich eraan houden. Henkin stelt in dit kader :

“ (...) any rights and duties created by the Covenant are legal rights under international law and must be considered as binding in the international legal system”[31].

Doordat de sanctie bij schending daarvan ontbreekt is het onduidelijk aan te geven hoe daarmee moet worden omgegaan. Aangezien de schending van het recht op leven evident is , ben ik de mening toegedaan dat de rechtsspraak hier invulling aan dient te geven. Deze gedachte wordt door 70,4% van de respondenten gedeeld [32], met ondermeer als reden dat recht moet worden gesproken.

2.5 Grove en systematische schendingen van de rechten van de mens en misdrijven tegen de menselijkheid

“Onder grove en systematische schendingen van de rechten van de mens worden schendingen als instrumenten van het regeringsbeleid verstaan, die een zodanige omvang hebben en van zodanige aard zijn dat een situatie wordt teweeg gebracht waarin het recht op leven, op persoonlijke integriteit of de persoonlijke vrijheid van de gehele bevolking of delen van de bevolking van een land bij voortduring worden geschonden of bedreigd”[33].

Volgens artikel 7 van het Statute of International Criminal Court van 17 juli 1998 te Rome, zijn misdrijven tegen de menselijkheid als volgt gedefinieerd :

“ (...) any of the following acts when committed as part of a widespread or systematic attack directed against any civilian population, with knowledge of the attack: (...) murder, (...) other inhuman acts of a similar character intentionally causing great suffering, or serious injury to body or to mental or physical health”.

Het komt mij voor dat de definiëringen van grove en systematische schendingen van de rechten van de mens en misdrijven tegen de menselijkheid elkaar aanvullen en in beide valt de term “systematic” op.

De essentie van misdrijf tegen de menselijkheid heb ik in casu als volgt verwoord :  de overheid die op systematische wijze haar politieke tegenstanders uit de weg ruimt pleegt een misdrijf tegen de menselijkheid. Van de ondervraagden is 25,3% van mening dat hiervan sprake is bij de gebeurtenis van 8 december 1982 [34].

Worden de door mij tot nog toe aangehaalde schendingen geplaatst tegen de achtergrond van bovengenoemde omschrijvingen, dan is er voldoende aanleiding om te spreken van grove en systematische schendingen van mensenrechten, in Suriname in de periode 1980 - 1990. De periode na 8 december 1982 is opgenomen, om aan te geven dat na deze datum schendingen tegen de rechten van de mens toch nog hebben plaatsgevonden.

Uit de nieuwsbrief van Moiwana ’86 van 10 december 2000 memoreer ik :

§     de Moiwana slachting;

§     de Tamanredjo moorden;

§     de verdwijning van Piko Sabajo en anderen;

§     de zelfmoord van Roy Horb en de verdwijning van zijn lijfwachten;

§     de moord op inspecteur Herman Gooding;

Ook Fernandes Mendes is van mening dat Suriname zich schuldig heeft gemaakt aan systematische schendingen van mensenrechten in de periode 1980-1983, waarbij hij enkele van de hier aangehaalde zaken, andere gevallen van martelingen,  alsmede het optreden van de toenmalige (militaire) machthebbers in het algemeen heeft besproken [35]. Dezelfde mening is de Organisatie voor Amerikaanse Staten toegedaan[36].

Dugard[37] is van mening dat de feiten gepleegd op 8 december 1982 ook onder de noemer van misdrijven tegen de menselijkheid kunnen worden geplaatst ( 4.3.7) . Hij stelt :

“The torture and murders in Paramaribo in 1982 appear to fall within the definition of crimes against humanity. They were committed by the military authorities in Surinam against a group of civilians who were targeted not because of their status as leaders of the Surinam intellectual elite. Moreover, they were committed in a systematic manner as part of an organized plan, involving public resources, aimed at destroying potential opponents of the military authorities”.

Mede gelet op de inhoud van hoofdstuk 1 en hetgeen Dugard hierboven stelt, het schenden van het recht op leven in dit specifieke geval, waarbij de Surinaamse maatschappij diep bewogen werd, ben ik van mening dat de gebeurtenissen van 8 december 1982 geplaatst kunnen worden in het kader van grove en systematische schendingen en misdrijven tegen de menselijkheid. Bovendien meen ik dat het gebeurde aan de definiëringen van voornoemde begrippen voldoet.

Voor wat de verjaring betreft, is mr. F. Kruisland van mening dat pas als de schending van 8 december 1982 als een misdrijf tegen de menselijkheid zou worden gekwalificeerd sprake zou zijn van non-verjaring, hetgeen thans is gebleken.

2.6 Kwalificatie

Ook al worden de gebeurtenissen geplaatst binnen het kader van grove en systematische schendingen van mensenrechten en misdrijven tegen de menselijkheid, evident is dat het recht op leven is geschonden. Dit recht wordt beschermd door beide rechtssferen.

De kwalificatie gegeven door het VN-Comité voor de Rechten van de Mens ,namelijk de schending van het recht op leven conform artikel 6 IVBPR, ondersteun ik volledig. In de eerste plaats is zij gegeven door een gezaghebbend en specialistisch orgaan dat door de wereldgemeenschap wordt erkend. Daarnaast is expliciet in artikel 2 lid 2 overeengekomen dat bepalingen van de nationale wetgeving in overeenstemming moeten worden gebracht met dit verdrag, hetgeen betekent dat in gevallen waar de nationale wetgeving niet voorziet, eveneens de verplichting rust op de staat zich hieraan te houden.

Bovendien is “leven”, zo belangrijk dat de wetgever het noodzakelijk heeft geacht, de rechten van de ongeboren vrucht die hij nog in de toekomst zal genieten, te beschermen. Wordt het kind dood geboren dan wordt het geacht niet te hebben bestaan. Artikel 3 van het Burgerlijk Wetboek stelt :

“ Het kind, van hetwelk een vrouw zwanger is, wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls deszelfs belang zulks vordert. Dood ter wereld komende, wordt het geacht nooit te hebben bestaan”.

Uit dit artikel blijkt dat het leven en de dood tegenover elkaar staan. Ik ben van mening dat het recht op leven bestaansrecht geeft aan de overige rechten van de mens. Derhalve hebben deze rechten slechts een accessoir karakter ten opzichte van het recht op leven. Komt het recht op leven weg te vallen dan is er geen sprake meer van het recht op vrije meningsuiting, het recht om eigendom te bezitten, het recht op onderwijs e.d.

Het blijkt verder dat het recht op leven als kernrecht, in het kader van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens, de status van internationaal gewoonterecht heeft bereikt. Kernrechten zijn rechten die noodzakelijk zijn voor een menswaardig bestaan en absolute bescherming moeten genieten[38]. Dit betekent dat op nationaal niveau bij schending hiervan een sanctie dient te volgen.

Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat het recht op leven de hoogste bescherming als mensenrecht hoort te genieten en bij schending hiervan hoort er eveneens een sanctie op te volgen. Ook de samenstellers van het Covim-rapport[39] zijn van mening dat door opname van de fundamentele rechten van de mens in de Surinaamse Grondwet deze rechten aanspraak maken op de hoogste bescherming.

Voetnoten
[1] Na de machtsovername opereerden de militaire machthebbers onder deze naam. Bij
     algemeen decreet A van 13 augustus 1980 (S.B. 1980 no. 59) betreffende de afkondiging
     van de noodtoestand voor geheel Suriname werd deze benaming vervangen door het
     Militair Gezag.
 
[2] Slagveer J. De nacht van de revolutie , 1980, pag. 75.
 
[3] Views of the Human Rights Committee under article 5 , paragraph 4, of the Optional
     Protocol to the International Covenant on Civil and Political Rights- twenty-fourth session,
     pag. 189.
 

[4] Ibidem, pag. 194.

[5] Op 31 december 1987 werden te Pokigron 20 marron mannen gemarteld door militairen,
     waarna 7 werden meegenomen die te Tjongalangapasi moesten uitstappen. Zij kregen een
     spade om een gat te graven, waarna zij om het leven werden gebracht. Een van hen
     probeerde te vluchten en werd neergeschoten en voor dood achtergelaten. In het
     ziekenhuis is hij overleden. De staat werd veroordeeld vanwege het schenden van het
     recht op leven en moest schadevergoeding betalen aan de nagelaten betrekkingen ( Mac
     Donald H., Reader Mensenrechten, Universiteit van Suriname. pag. 100)

[6] Ashok Gangaram Panday werd op 5 november 1988, door leden van de Militaire Politie op
     Zanderij gearresteerd op grond van het feit dat zijn uitwijzing uit Nederland nader moest
     worden onderzocht. Hij werd ingesloten in een cel van de Militaire Brigade te Zanderij. Hij
     is niet voorgeleid en op dinsdagochtend 8 november 1988 werd hij dood aangetroffen in zijn
     cel. Suriname werd door het Inter- Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens
     veroordeeld vanwege de schending van het recht op persoonlijke vrijheid zoals erkend in
     artikel 7 lid 2 van de Conventie, in combinatie met artikel 1 lid 1 van de Conventie. ( Ibidem
     pag. 97).

[7] Velásquez-Rodrίquez was een student van de “National Autonomous University” van
     Honduras. Hij werd gearresteerd zonder arrestatiebevel door leden van de “National Office
     of Investigations(DNI) van het Leger. Hij werd beschuldigd van politieke misdrijven en op
     grond daarvan mishandeld. Tot op heden is hij niet teruggevonden. Aangenomen wordt dat
     hij dood is. Het Inter Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens heeft verklaard dat 
     Honduras “(...) has violated (..) the right to life; (...) the right to humane treatment.

[8]  Henkin, L. The Age of Rights, 1990, pag. 3.

[9]  Kooijmans P.H. Internationaal publiekrecht in vogelvlucht, 8ste druk , 2000, pag. 74

[10] Ibidem.

[11] Supra noot 44, pag. 76.

[12] Supra noot 42, pag. 34.

[13] Rudge E., Suriname en het Inter-Amerikaans Mensenrechtensysteem, 2001, pag. 1 e.v.

[14] Baehr P., De rechten van de mens, Universaliteit in de praktijk,1998, pag. 19.

[15] Supra noot 47, pag. 4

[16] Deze tribunalen hebben in belangrijke mate bijgedragen tot het aansprakelijk stellen van
      personen die zich schuldig hadden gemaakt aan internationale misdrijven. Op deze wijze
      kwamen staten overeen om samen een internationaal rechtsprekend college op te zetten
      om individuen die zich schuldig hadden gemaakt aan misdaden tegen de medemens,
      individueel aansprakelijk te stellen, SJB maart 2001, pag. 55.

[17] Supra noot 45, pag. 336.

[18] Ibidem, pag. 337.

[19] Het initiatief daartoe werd aangenomen tijdens een diplomatieke conferentie die tot doel
       had een Statuut op te stellen voor een Internationaal Strafhof. Meer dan zestig landen
       blijken het Statuut te hebben geratificeerd en dit is in werking getreden per 1 juli 2002. De
       Ware Tijd, 29/04/2002. pag. 9

[20] Cadogan M., De instelling van het Internationaal Strafhof, doctoraal scriptie Rechten,
       Universiteit van Suriname, 2000, pag. 25.

[21] Supra noot 48, 1998 pag.17.

[22] Ibidem pag. 18.

[23] Henkin L., The International Bill of Rights, The Covenant on Civil and Political Rights, 1981,
       pag 1.

[24] Ibidem, pag. 114.

[25] Rudge E.P. en Mac Donald H.L., Augusto Pinochet Ugarte, onschendbaar voor het leven ?
       Niet onder het internationaal recht anno 2000, SJB maart 2001, pag. 51.

[26] De frequentietabellen van dit onderzoek zijn als bijlage aan deze scriptie toegevoegd.

[27] Supra noot 56, pag. 22.

[28] Supra noot 37, pag. 194.

[29] Supra noot 58, pag. 114.

[30] Ibidem.

[31] Supra noot 64, pag. 115.

[32] Zie bijlage frequentietabellen.

[33] Supra noot 61, pag. 40 .

[34] Zie frequentietabel voor volledig overzicht.

[35] Supra noot 9, pag. 112.

[36] Organization of American States, Report on the situation of human rights in Suriname,
      1983, pag. 45.

[37] Dugard C.J.R. , Senior Counsel, Supreme Court of South Africa, Professor of Public
      International Law, University of Leiden, Opinion , 2000, pag. 11.
Mening van betrokkene
      aan het Hof te Amsterdam inzake de casus 8 december 1982.

[38] Supra noot 67, pag. 20.

[39] Op 5 december 1997 werd bij Presidentieel Besluit No.PB 13/98 de “Commissie
       voorbereiding Institutie Mensenrechten” geïnstalleerd met als hoofdzaak het doen van
       onderzoek naar schendingen van mensenrechten in Suriname. Covim, Resultaat
       geïntegreerd onderzoek, Rapportage en wetsvoorstellen tot instelling Waarheidscommissie
       en Hof ter berechting van mensenrechtenschendingen ingepast in een ontwerp wet R.O. 
       Dit rapport is o.l.v. Prof.mr. L. Waaldijk samengesteld op 7 september 1999, pag. 4. 

 

Hoofdstuk 3

KWALIFICATIE VAN DE “MOORDEN” NAAR NATIONAAL RECHT

Hoofdstukindeling
3.1 Inleiding
3.2 Misdrijven tegen het leven
3.2.1 Doodslag
3.2.2 Moord
3.3 Kwalificatie
Voetnoten

3.1 Inleiding

De strafbaarstelling van de schending van het recht op leven vindt haar weerslag in de nationale wetgeving en wel in het Tweede Boek Titel XIX “Misdrijven tegen het leven” van het Surinaams Wetboek van Strafrecht.

Het gronddelict van deze titel is artikel 347, doodslag, gevolgd door artikel 348, gekwalificeerde doodslag. In artikel 349 wordt doodslag onder de verzwarende omstandigheid van voorbedachte rade als moord strafbaar gesteld.

3.2 Misdrijven tegen het leven 

3.2.1 Doodslag

Voor wat doodslag betreft, luidt de delictomschrijving van artikel 347 als volgt :

“Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.” ;

Hieruit zijn de bestanddelen opzettelijk en een ander van het leven te beroven, te distilleren.

Naast de in paragraaf 1.3 genoemde omstandigheden waarin reeds het bestanddeel opzet is belicht, voeg ik hieraan toe :

§     Personen die met de toenmalige bevelhebber van het Nationaal Leger persoonlijk contact hadden, hebben verklaard dat hij gezegd zou hebben “Ik heb ze gedood” [1] . Wat deze uitspraak betreft, moet ik opmerken dat de andere door mij bestudeerde rapporten hiervan geen gewag maken.

Trouwens de samenstellers van het N.J.C.M.- rapport menen dat er een synthese van de verklaringen is gemaakt. Gezien de betekenis van de term synthese, verbinding van afzonderlijke vaak tegengestelde elementen tot een nieuw geheel, is het mogelijk dat de feiten wellicht verkeerd kunnen zijn geredigeerd. Als er echter van wordt uitgegaan dat deze uitspraak op waarheid berust, dan is hieruit eveneens opzet te distilleren.

§     Ooggetuigen van het gebeurde en getuigen de auditu hebben verklaard [2]:

-     “ A decision was taken by the military leadership to suppress the opposition by 
     arresting and killing the leaders “;

-     “Reinforcements were placed inside Fort Zeelandia on the afternoon in question and
      orders were given to open fire with blanks at a given signal. The signal was given at
      about 11 p.m. and firing continued for some hours during which time the killings took
      place”. 

Gelet op de letsels die zijn toegebracht aan de slachtoffers, met name de schotwonden, moet worden gesteld dat naar algemene ervaringsregels de dood daaruit noodzakelijker-wijs of met grote waarschijnlijkheid kan voortkomen[3]. Dit betekent dan ook dat het bestanddeel van het leven beroven hierdoor is vervuld. Derhalve kan worden uitgegaan dat er een redelijk vermoeden is dat er sprake is van doodslag. 

Als doodslag in casu bewezen kan worden, dan betekent dit dat de “MOORDEN” sinds 8 december 1994 zijn verjaard, hetgeen blijkt uit artikel 96 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. Opgemerkt moet worden dat dit niet expliciet vermeld staat, doch dat meen ik te distilleren uit artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht waarbij “ten hoogste” gezien moet worden als tijdelijke gevangenisstraf, daar de strafmaat doodstraf of levenslange gevangenisstraf ontbreekt in de delictsomschrijving van voornoemd artikel.

3.2.2 Moord 

Voor wat de delictsomschrijving van artikel 349 van het Wetboek van Strafrecht betreft luidt deze als volgt :

 “ Hij die opzettelijk en met voorbedachte rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met de doodstraf, met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.”

De bestanddelen opzettelijk en een ander van het leven beroven zijn reeds bij doodslag aan de orde gesteld. Bij moord dient nog het bestanddeel met “voorbedachte rade” bewezen te worden. 

Dit bestanddeel ligt opgesloten in de volgende feiten en omstandigheden die ondermeer in paragraaf 1.3 zijn opgenomen :

§    

Het motief om tot deze actie over te gaan ligt zoals Dongen het stelt, mogelijk in het feit dat er een plan was om 22 prominente burgers op te pakken die strategisch gekozen waren. Volgens hem moesten het mannen zijn die het de militaire machthebbers op de één of andere manier moeilijk hadden gemaakt
[4].

Inderdaad blijkt dat de slachtoffers op de één of andere manier een relatie hadden met het Militair Gezag. Enkele van hen sympathiseerden aanvankelijk met het Militair Gezag, om zich later tegen hen te keren, omdat gebleken was dat de militairen niet van plan waren verkiezingen uit te schrijven. Ook blijkt dat de latere slachtoffers verenigd in de Associatie voor Democratie hebben getracht door middel van open brieven een dialoog aan te gaan met het Militair Gezag om hun visie kenbaar te maken over de voorwaarden tot herstel van de democratie en de handhaving van de rechtstaat[5]. In dialoog treden zou naar alle waarschijnlijkheid in resulteren dat het Militair Gezag de verworven macht zou moeten afstaan. 

Van Bemmelen stelt dat het bijzonder gevaarlijke en laakbare van moord is dat het leven van het slachtoffer weloverwogen door de dader aan zijn belangen wordt opgeofferd. Aangezien het Militair Gezag de macht wilde consolideren, moest er worden afgerekend met de personen die een sta in de weg vormden. 

De voorbedachte rade blijkt verder uit :

§    De slachtoffers waren ongewapend in het Fort Zeelandia, waarbij een andere vluchtweg
     dan springen in de rivier, slechts in de richting van zwaar bewapenden militairen c.q.
     militaire posten was;

§    Gelet op het aantal manschappen, die alleen of waarvan de meesten in het
      bovenlichaam hebben geschoten op ongewapende mannen, het aanneemlijk is dat
      hiertoe de instructie moet zijn gegeven;

§     De afrekeningsverklaring;

§     Het feit dat twee der slachtoffers uit detentie werden gehaald;

§     De uitspraken (...) You can see that it isn’t the Revolution that invites the mercenaries
       here, but if they come, we shall have to defend the Revolution”;

(…) the events of December 1982 were considered as “necessary” and based on the principle of survival”, it was a question of either “them” or ” us” 

Volgens van Bemmelen heeft de term voorbedachte rade een feitelijke omschrijving gevonden die niet erg gelukkig uitvalt namelijk “met rustig overleg en na kalm beraad”. In het arrest “Turkse bloedwraak” blijkt volgens van Bemmelen dat er van rust en kalmte geen sprake hoeft te zijn, doch wel van een voorafgaand beraad[6]

In casu schijnt er wel sprake te zijn van een voorafgaand beraad, gezien het feit dat de personen tegelijkertijd zijn opgepakt in de nacht van 7 op 8 december 1982. Ook het feit dat andere hoogwaardigheidsbekleders die avond in het Fort Zeelandia aanwezig waren, duidt aan dat er een beraad moet hebben plaatsgevonden.

Van Bemmelen geeft aan dat bij moord en doodslag vastgesteld moet worden dat deze als gevolg van de handeling van de dader is veroorzaakt [7], hetgeen voor de “MOORDEN “ niet opgaat. Echter vind ik het autopsierapport niet doorslaggevend, omdat gebleken is dat de Surinaamse rechtsspraak in het verleden vonnissen heeft gewezen wegens doodslag en moord, waarbij zelfs de lijken niet zijn gevonden[8]

Naar mijn mening was deze rechtsontwikkeling bijzonder progressief voor die tijd in tegenstelling tot de legistische kijk die vandaag de dag schijnt te leven inzake de 8 december “MOORDEN”, met name dat dit misdrijf zondermeer moord is en derhalve na 18 jaren zou zijn verjaard. Als zo’n ontwikkeling zich in de jaren ’50 kon voltrekken, waarom schijnt er van het dynamische recht niet veel over te zijn anno 2003 ? In casu is evident dat het recht op leven is geschonden, derhalve kan ik de noodzaak van het forensisch onderzoek niet inzien. 

De bestanddelen voor moord zoals vervat in artikel 349 van het Wetboek van Strafrecht zijn in casu vervuld. Nochtans is dit geval niet zo simpel, want in deze paragraaf heb ik eveneens getracht aan te tonen dat er sprake was van een machtsstrijd op het politieke front, een omstandigheid waar rekening mee gehouden dient te worden. Daarnaast bleek dat grote delen van de Surinaamse bevolking en de leiding van het land c.q. het Militair Gezag niet meer dezelfde kant opkeken. 

Ook Wako[9] stelt dat de omstandigheden in aanmerking genomen moeten worden om de 8 december “MOORDEN” te begrijpen. Daarbij verwijst hij naar de beperkte beleving van de rechten van de mens vanaf de militaire machtsovername, de diverse couppogingen, de stakingen en demonstraties die vooraf zijn gegaan aan de “MOORDEN”. 

Verder dient de staatsrechtelijke positie van het Militair Gezag in beschouwing te worden genomen. Het blijkt dat het Militair Gezag de effectieve regering was en als vertegenwoordiger van de Staat handelde. Dit kan impliciet afgeleid worden uit het feit dat de diverse onderzoeksinstanties de positie van het Militair Gezag niet in twijfel hebben getrokken en expliciet blijkt dit ondermeer uit:

§    De verklaring afgelegd op 26 februari 1980 door de gewezen Vice-Minister-President
     Olton van Genderen (†). Daarbij werd de bevolking opgeroepen zich volledig te
     onderwerpen aan het nieuwe gezag
[10].

§     Krachtens artikel 2 van  het Algemeen Decreet A van 13 augustus 1980 (S.B. 1980
      no. 59) “(...) regeermacht wordt uitgeoefend (...) “het Militair Gezag”.

§     Artikel 6 van het Algemeen Decreet A van 13 augustus 1980 (S.B. 1980 no. 59) “ (...)
      decreten door of vanwege het Militair Gezag (...) hebben algemeen bindende kracht.”

§     Op 20 mei 1980 werd door het Parlement de Machtigingswet 1980 (S.B. 1980 no. 28 )
      aangenomen en door de regering afgekondigd die aan haar algemeen wetgevende
      bevoegdheid gaf. Door middel van dit decreet had het Parlement zichzelf buiten werking
      gesteld. Expliciet vond de buitenwerkingstelling van het Parlement plaats door middel
      van het Algemeen Decreet no. A-1 van 13 augustus 1980 (S.B. 1980 no. 60). 

§     Artikel 5 lid 3 van het Algemeen Decreet A-2 van 20 november 1980 (S.B. 1980 no.
      124) stelt dat de President en de Raad van Ministers gezamenlijk als Regering
      optredend, na overleg met het Militair Gezag, het algemeen regeringsbeleid vaststelt.

§     Artikel 2 van het Algemeen Decreet A-3 van 4 februari 1982 (S.B. 1982 no. 9) had
      het Militair Gezag tot een nader te bepalen tijdstip de regeermacht uitsluitend in
      handen
[11].

§     Artikel 4 van Algemeen Decreet A-4 van 4 februari 1982 (S.B. 1982 no. 21) geeft de
      regeerpositie van de militaire machthebbers duidelijk weer.

1.    Na de beëdiging van de nieuwe Raad van Ministers zal de regeermacht worden 
      uitgeoefend door het Militair Gezag en de Raad van Ministers.

2.    Het Militair Gezag bepaalt welk deel van de regeermacht wordt overgedragen aan de
     Raad van Ministers.

3.    Tot aan de beëdiging van de nieuwe Raad van Ministers hebben decreten, alleen
      getekend door het Militair Gezag, algemeen verbindende kracht.

§     Uit artikel 1 van het decreet A-7-A van 11 maart 1982 ( S.B. 1982 no. 51) blijkt dat het
      Militair Gezag zichzelf als “het wettig militair of burgerlijk gezag” heeft erkend.

§     Artikel 1 van het Algemeen Decreet A-10 van 25 maart 1982 (S.B.1980 no. 62 ) stelt
     “Een regeling van algemeen verbindende kracht, al of niet door straf of politiedwang te
      handhaven, door het Militair Gezag en de Raad van Ministers goedgekeurd, en na mede-
      ondertekening door één of meer Ministers, bekrachtigd door het Militair Gezag en de
      President, zal als “decreet” worden aangeduid” .

§     Door middel van decreet C-64 van 25 maart 1982 werd in artikel 1 aangegeven dat
      “er een Beleidscentrum(...) samengesteld door het Militair Gezag”. Artikel 1 lid 3 geeft
      aan dat “de Bevelhebber en de plaastvervangende Bevelhebber
[12] (...) zijn
      onderscheidenlijk Voorzitter en Vice-Voorzitter van het Beleidscentrum”. Artikel 2
      bepaalt dat “de hoogste bestuurlijke macht berust bij het Beleidscentrum”.

Zelfs in burgerlijke aangelegenheden was er sprake van interventie van het Militair Gezag[13]

Evident is dat het Militair Gezag zowel de uitvoerende als de wetgevende macht was. Daarnaast bleek de invloed van het Militair Gezag niet minder te zijn bij de rechterlijke macht. Zo werden een aantal officieren weer gevangen genomen, nadat zij door de rechter-commissaris op vrije voeten waren gesteld[14]. De verstrengeling van deze machten is tegen de leer van de Trias Politica en niet mogelijk in een rechtsstaat, doch wel in een machtsstaat. Terecht stelt Jnan Adhin (†) dat het bestaan van een Staat het bestaan van recht vereist, maar er hoeft geen sprake te zijn van een rechtsstaat. Hij gaat ervan uit dat de Staat altijd een machtsorgaan is en het kan hemelsbreed verschil uitmaken, waarvoor en hoe de politieke macht - al dan niet met gebruikmaking van bestaande rechtsregels - wordt aangewend[15]

Als de “MOORDEN” tegen deze achtergrond worden geplaatst is het alleszins gerechtvaardigd te spreken van een “bijzondere moord” c.q. een politiek misdrijf. Politiek c.q. machtsposities bieden het individu de mogelijkheid over macht te beschikken en stelt hem in staat naar believen te handelen, vooral als macht het doel is en niet het middel om te besturen om de mensheid te dienen. 

Derhalve dient macht in handen te zijn van de juiste personen. Indien machthebbers niet met de macht weten om te gaan, er hoeft geen sprake te zijn dat hij misbruik van zijn macht maakt, kan het tot gevolg hebben dat generaties lang geschreid zal worden over gemaakte fouten.

In dit kader citeer ik uit de Memorie van Toelichting betreffende een wetsvoorstel van de Centrale Bank van Suriname tot wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging, laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73) :

“De vorige regeerperiode heeft aangetoond welke schadelijke effecten een samenleving, een heel volk, kunnen overkomen wanneer de Centrale Bank van het land zich gedraagt als een passief instrument in handen van gezagsdragers die van Staatswege een hoogst onverantwoordelijk financieel beleid voeren” .

Er is lering getrokken uit de geschiedenis en dit gedrag als gevolg van de machtposities wordt dan ook  in de gewijzigde wet strafbaar gesteld. 

Derhalve ben ik de mening toegedaan dat machtsposities in het algemeen een strafverzwarende omstandigheid mogen vormen in het recht en zeker in casu. Van de ondervraagden blijkt 22% deze mening te delen, terwijl 71.9% voorstander is van een gelijke behandeling.

3.3 Kwalificatie 

Behalve de indeling van misdrijven en overtredingen die aan het gehele strafrecht ten grondslag ligt, kent het strafrecht ook nog andere indelingen. Één daarvan is die van gemene en politieke misdrijven. Onder gemene misdrijven zijn te verstaan “ die strafbare feiten die door een ieder, kunnen worden gepleegd” [16]

Met betrekking tot het politieke delict heb ik uit de bestudeerde literatuur geen vastomlijnde definitie kunnen halen. Wel wordt er gewag gemaakt van klassieke politieke delicten. Deze delicten werden vaak als “hoog- respectievelijke landverraad” betiteld. Op de zesde internationale strafrechtconferentie te Kopenhagen (1935) werd dit delict omschreven als “ een misdrijf, dat hetzij de organisatie, hetzij het functioneren van de Staat dan wel de rechten van de burgers welke daaruit voortvloeien aanrandt”[17] , een definitie die Hazewinkel-Suringa ondersteunt. 

Ook ik kan mij met de inhoud van deze definitie verenigen, omdat die zowel het handelen van de Staat toetst en strafwaardig stelt, maar ook de rechten van de burger c.q. de mens beschermt. In relatie tot het gebeurde op 8 december 1982 biedt de zinsnede “een misdrijf die de rechten van de mens aanrandt” ruimte het gepleegde delict op voornoemde datum als een politiek delict te kwalificeren, omdat een fundamenteel recht van de mens werd geschonden. Ook in dit gegeven meen ik op nationaal niveau de legaliteit van de vervolging te mogen distilleren. 

Verder kenmerken klassieke politieke delicten zich doordat deze worden begaan door overtuigingsdaders die door altruïstische motieven worden bewogen. Zij wensen hun ideaal tot dat van anderen te maken met als gevolg dat geweld aan te pas komt, hetgeen weer tot “moord”  of schending van het recht op leven zou kunnen leiden.

Van altruïsme is in casu geen sprake , echter meen ik wel dat het Militair Gezag voldoet aan het criterium van overtuigingsdader, want zijn ideaal was erop gericht om de Staat te regeren zoals het Militair Gezag het wenste. 

Ik meen mij nog te herinneren dat er een postzegelserie was uitgegeven om aan te geven welke vernieuwingen het Militair Gezag wilde doorvoeren. Deze waren de bestuurlijk-politieke orde, de sociale orde, de educatieve en de economische orde. Volgens Haakmat beoogden deze vernieuwingen tot een Suriname waarbij kennis, macht en inkomen gelijkelijk moesten worden verdeeld tussen alle rassen, bevolkingsgroepen, tussen stad en platteland, tussen mannen en vrouwen[18]

Hazewinkel stelt dat van een politiek delict sprake kan zijn als een misdrijf wordt begaan uit politieke motieven. Zij stelt verder dat de Law Lords van Engeland zich slechts vasthouden aan de eis dat de daad gericht moet zijn geweest tegen het regime van de Staat[19]. Verder ligt het aan een staat tot rubricering van het politieke delict te komen. 

Ook stelt zij dat politieke delicten niet sec voorkomen, maar vaak verweven zijn met andere commune delicten. Zij stelt dat het vanouds is erkend dat het commune delict in zo’n geval moet meetellen [20]

Kooijmans is eveneens van mening dat het politieke delict zich niet makkelijk laat omschrijven vooral als het gaat om een commuun delict dat uit politieke overwegingen wordt gepleegd [21]


Amnesty International Nederland stelt dat de meest verstrekkende schending van mensenrechten moord door de overheid is, in casu het Militair Gezag. Volgens dit instituut worden deze buitengerechtelijke executies ook wel politieke moorden genoemd
[22]

Aangezien de bestanddelen van artikel 349 Wetboek van Strafrecht zijn vervuld en de stellingen aangehaald in deze paragraaf inzake het politieke misdrijf en de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, meen ik dat in alle redelijkheid gesteld kan worden dat de 8 december “MOORDEN” kunnen worden gekwalificeerd als een politiek misdrijf c.q. politieke moord. 

Onder politieke moorden wordt verstaan het opzettelijk en met voorbedachte rade iemand van het leven beroven, waarbij politieke motieven ten grondslag aan liggen. Deze mening deelt eveneens 68,1% van de ondervraagden, terwijl 8,8% van hen van mening is dat er sprake is van moord[23]

Als gevolg van deze kwalificatie dient artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht nader in beschouwing te worden genomen. Dit artikel luidt als volgt : “Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. Hieruit is te distilleren dat eerst een norm een gedraging strafbaar stelt. Ook wordt daarin de maximale op te leggen straf aangegeven. Indien er geen bepaling is opgenomen, betekent dit dat de gedraging niet strafbaar is. 

Ten onrechte meen ik, is gesteld dat de wettelijke bepaling eerst een gedraging strafbaar “maakt”, terwijl het de gedraging zelf is die tot gevolg heeft dat deze strafbaar gesteld moet worden. Uit de aard van het misdrijf weet de pleger van het feit dat de door hem gepleegde gedraging strafbaar is. 

Eveneens biedt het adagium van het recht dat “een ieder geacht wordt de wet te kennen”, ruimte te stellen dat aan de legaliteitseis is voldaan.

Op grond van voornoemde overwegingen, ben ik van mening dat de legaliteit voor de kwalificatie politieke moord mede gelegen is in het feit dat Suriname is overeengekomen het recht op leven te beschermen in artikel 6 IVBPR en ook in artikel 14 van de  Grondwet is dit recht gewaarborgd.


Voetnoten

[1]  N.J.C.M.-rapport , pag 7.
[2]  Rapport Wako, pag. 10.
[3]  Bemmelen van J., Het materiële strafrecht, Bijzondere delicten, 8ste druk, 1990. HR 19
      april 1983,573; een “stroomstoot is zo’n middel”, pag. 17.
[4]  Supra noot 19, pag. 3.
[5]  Publicatie Inter-American Institute of Human Rights en de Organisatie voor Gerechtigheid
      en Vrede, Truth and  Justice : In Search of Reconciliation in Suriname, 1999, pag. 161.
[6]  Supra noot 76, pag. 14 - 15.
[7]  Ibidem.
[8]  Gesprek met mr. M. De Miranda, betreft de zaak Krislo e.a in de jaren ’50. Bij navraag op
      het Hof van Justitie en Landsarchief bleek het dossier niet te vinden.
[9]  Rapport Wako, pag. 4 .
[10] Supra noot 36, pag. 76.
[11] Volgens de considerans van dit decreet was als gevolg van een conflict binnen de
      regering door het Militair Gezag het verzoek gedaan de regeermacht wederom over te
      dragen.
[12] Op 3 februari 1983 bleek dat de heer Horb zich had verhangen in zijn cel. Hij was
      opgesloten vanwege zijn betrokkenheid bij een complot tegen Bouterse (rapport Wako,
      pag. 3).
[13] Supra noot 25, pag. 27.
[14] Ibidem pag. 21.
[15] Adhin Jn., Plaats en rol van het Ministerie van Justitie en Politie binnen de rechtstaat,
      Surinaams Juristen Blad, maart 2001, no. 1., pag. 7.
[16] Supra noot 26, pag. 98.
[17] Supranoot 89, pag. 103.
[18] Haakmat A. , De Revolutie uitgegleden, 1987, pag. 37.
[19] Supra noot 90, pag. 526.
[20] Ibidem, pag. 525.
[21] Supra noot 51, pag. 58.
[22] http://www.amnesty.nl/themas_verdwijningen.shtml.
[23] Voor volledig overzicht zie bijlage frequentietabellen onderzoek.


Hoofdstuk 4

DE VERJARING EN DE GEVOLGEN

Hoofdstukindeling
4.1 Betekenis verjaring
4.2 Verjaring naar het internationaal recht
4.3 Verjaring naar het nationaal recht
4.4 De gevolgen van de kwalificatie op internationaal niveau
4.5 De gevolgen van de kwalificatie op nationaal niveau
Voetnoten

4.1 Betekenis verjaring    

Verjaringstheorieën blijken in de 19e eeuw te zijn ontwikkeld, toen het strafrecht nog niet was geconfronteerd met de gruwelijke en grootschalige misdrijven begaan in de Tweede Wereldoorlog. De buitengewone ernst van deze gebeurtenissen heeft gemaakt dat de meeste landen verjaring voor deze misdrijven hebben opgegeven stelt Dorst[1]

Volgens Hazewinkel bepleitte van Hamel een onverjaarbaarheid voor zeer zware misdrijven en daden van professionele misdadigers, terwijl andere auteurs weer voorstanders van verjaring zijn, als de dader zich heeft gebeterd. In Engeland blijkt verjaring slechts mogelijk bij de lichte delicten, terwijl de ernstige te allen tijde vervolgbaar blijven[2]

Hazewinkel [3] stelt verder dat het menselijk element in het strafrecht eist, dat wij bereid moeten zijn een streep onder een zaak te zetten. Het verjaringsinstituut heeft haar sympathie vanuit materieel-strafrechtelijk oogpunt, namelijk dat de gemeenschap geen behoefte meer heeft aan straf alsook strafprocessueel, omdat het feit niet goed bewijsbaar is.  Voor wat de lichtere misdrijven betreft, stelt zij dat het aanvaardbaar is dat er een streep onder de zaak wordt gezet. 

Corstens is van mening dat verjaring louter door tijdsverloop wordt teweeggebracht. De grondslag daarvan is volgens hem gelegen in de verminderde behoefte van de samenleving om de dader te bestraffen voor het gepleegde strafbare feit. Hij stelt dat deze gedachte terug te vinden is in de langere verjaringstermijnen bij de ernstiger delicten[4]

Ondanks het feit dat verjaring een niet onomstreden instituut blijkt te zijn, zijn er bepalingen daaromtrent opgenomen in het Wetboek van Strafrecht met argumenten “welke zich bewegen rondom het alles uitwissende van de tijd, die immers zowel de indruk van de misdrijven doet vervagen alsook de sporen die zij nalaten” [5]

Dorst stelt het voorgaande scherper namelijk,

“het motief om de uitdovende werking van het tijdsverloop in rechte te erkennen is voornamelijk gelegen in de veronderstelling dat de maatschappelijke rust waarop door het delict inbreuk was gemaakt, na verloop van tijd zou terugkeren alsmede dat de dader gedurende de tijd dat hij niet werd vervolgd, onderhevig zou zijn aan een kwellende onzekerheid omtrent zijn lot en aldus voldoende gestraft zou worden”.

Verder stelt hij dat ook de bewijslevering als motief heeft gediend[6] voor opname van verjaring. 

In de literatuur blijkt er geen consensus te zijn over verjaring. Ook ik ben niet een  voorstander van verjaring, omdat voorkomen moet worden dat de rechten van de mens worden geschonden, zeker voor wat de zware misdrijven betreft. Mocht dit toch gebeuren, dan zal de schender van het recht de consequenties daarvan moeten dragen, omdat de gepleegde schendingen van rechten vaak heel diep ingrijpen in het individu, de nabestaanden of de maatschappij. Door het instituut verjaring wordt gerechtigheid te niet gedaan voor degene die de meeste schade heeft geleden. 

Ook al bereiken zij een moment waarop het leven verder gaat, zij dragen de last van de schending mee. Van de ondervraagden is 86% tegen verjaring van zware misdrijven met als reden ondermeer :

- het recht moet zegevieren;

- de persoon moet op elk moment vervolgd worden voor het gepleegde misdrijf;

- het is unfair dat personen niet berecht worden. 

Anderzijds stel ik dat voor lichte misdrijven, afhankelijk van de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd en de invloed daarvan op het individu of de maatschappij, wel verjaring overwogen kan worden. Bij lichte misdrijven kan ik mij voorstellen dat een dader zich kan beteren en beseft dat hij de strafbare gedraging achterwege dient te laten, waardoor de toch al problematische rechtsgang in Suriname niet nog zwaarder onder druk wordt gezet. 

In dit kader wordt opgemerkt dat 63,7% van de ondervraagden van mening is dat lichte misdrijven niet mogen verjaren, omdat ondermeer “een strafbaar feit een strafbaar feit blijft”. Daarnaast is 81,5% tegen de stelling dat de dader zich kan beteren en derhalve vervolging van hem niet hoeft plaats te vinden[7].

4.2   Verjaring naar het internationaal recht 

Voor wat het internationaal recht betreft, blijkt het instituut verjaring geen erkenning te hebben gevonden. Dongen stelt dat verjaring geen internationaal erkend rechtsgoed is daarbij Kooijmans citerend ,

“Het volkenrecht kent geen uitdrukkelijke bepalingen omtrent de verjaring van internationale misdrijven(...). De conclusie ligt voor de hand dat niets er toe dwingt om aan te nemen dat volkenrechtelijke misdrijven noodzakelijkerwijs aan verjaring zijn onderworpen (...)”[8] 

Dorst is van mening dat “echte” verjaring internationaalrechtelijk geen erkenning heeft gevonden, hetgeen waarschijnlijk ligt aan het feit dat de diverse landen die mensenrechten verdragen hebben gesloten verschillend denken over het “alles uitdovend effect van het tijdsverloop”[9]

Uit de overweging van de Preambule van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

“(...) dat het van het grootste belang is, dat de rechten van de mens beschermd worden door de suprematie van het recht, opdat de mens niet gedwongen worden om in laatste instantie zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen tirannie en onderdrukking”,

meen ik dat onder “suprematie van het recht” moet worden verstaan dat het bepaalde in verdragen dient te worden nageleefd en afhankelijk van de inhoud daarvan ook de wetgeving van het verdragsluitend land in lijn dient te worden gebracht met de verdragen. Als de verdragsstaten zich daadwerkelijk aan het verdrag houden dan is het niet nodig bepalingen omtrent verjaring op te nemen, want de daarin opgenomen rechten worden beschermd en niet geschonden. 

De Preambule stelt eveneens :

“ als het gemeenschappelijk door alle volkeren en alle naties te bereiken ideaal, opdat ieder individu en elk orgaan van de gemeenschap, met deze Verklaring voortdurend voor ogen, er naar zal streven door onderwijs en opvoeding de eerbied voor deze rechten en vrijheden te bevorderen, en door vooruitstrevende maatregelen, op nationaal en internationaal terrein, deze rechten algemeen en daadwerkelijk te doen erkennen en toepassen (...) 

Uit bovengenoemde overwegingen meen ik te distilleren dat er internationaalrechtelijk geen behoefte bestaat dat schendingen van de rechten van de mens aan verjaring onderhevig dienen te zijn. 

Voor wat deze casus betreft, schijnt het dat de artikelen 6 lid 1 en 14 lid 3 sub c van het IVBPR op gespannen voet staan, omdat enerzijds het recht op leven moet worden beschermd en anderzijds dat de berechting binnen redelijke termijn dient plaats te vinden. Volgens Dorst pleit zulk een nalaten vòòr verjaring, aangezien het Openbaar Ministerie geen actie heeft ondernomen om de zaak voor te brengen. 

Het Openbaar Minister heeft inderdaad nagelaten onderzoek te doen om tot vervolging over te gaan, hetgeen niet ondenkbaar is, gezien de verstrengeling van machten hetgeen eerder aan de orde is gesteld. Derhalve meen ik dat dit nalaten niet op het conto van het Openbaar Ministerie geschreven kan worden. 

In artikel 2 lid 3 a IVBPR is overeengekomen :

“Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich : Te verzekeren dat een ieder wiens rechten of vrijheden als in dit Verdrag erkend, worden geschonden een effectief rechtsmiddel ter beschikking heeft, zelfs indien de schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie”. 

Voor wat de mogelijkheid tot een effectief rechtsmiddel betreft, ben ik van mening dat dit niet beschikbaar was, omdat het niet aanneemlijk was dat een advocaat toen bereid zou zijn geweest een zaak aanhangig te maken, daar reeds vier advocaten om het leven waren gebracht op 8 december 1982. De maatschappij in die dagen werd gekenmerkt door angst en represaille als gevolg van vermeende destabiliserende activiteiten.

Door het ontbreken van een effectief rechtsmiddel komt het mij voor dat dit ook gevolgen voor de verjaring behoort te hebben, met dien verstande dat een verjaringstermijn pas kan beginnen te lopen als er tenminste een mogelijkheid aanwezig geacht kon worden te procederen. 

In de internationale gemeenschap blijkt waar machthebbers over de schreef gaan en zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten tegen de mensheid of verdragsbepalingen hebben geschonden, de trend vanaf de Tweede Wereldoorlog is ingezet hen te vervolgen. Van recentere datum is het geval van de voormalige dictator van Chile, Augusto  Pinochet[10]

De gebeurtenis van 8 december 1982 kan, hoewel deze niet de omvang heeft van voornoemde gevallen, in dit kader worden geplaatst. Suriname is een gemeenschap waar een ieder elkaar kent, vooral daar het personen waren die hoog op de maatschappelijke ladder stonden. De “MOORDEN” hebben plaatsgevonden in Paramaribo, de hoofdstad waar ook alle instituten of groeperingen zich hebben gevestigd. Derhalve kan met enige voorzichtigheid worden gesteld dat een groot deel van de Surinaamse gemeenschap deze schending van het recht op leven van betrokkenen heeft ervaren. Gebleken is uit het onderzoek dat 90,9% van de geenquetteerden goed tot redelijk geïnformeerd is over 8 december 1982. 

Op grond van bovengenoemde overwegingen kan worden aangenomen dat de internationale gemeenschap, waar Suriname ook deel van uitmaakt, het niet wenselijk heeft geacht misdrijven die zijn gepleegd,  in het bijzonder rechten die zijn geschonden aan verjaring onderhevig te doen zijn. Zo dus ook het recht op leven genoemd in artikel 6 van het IVBPR. Daarnaast komt het mij voor dat deze schending is verworden tot een “Core crime”. In casu is hier sprake van schending van een ius cogens norm, waarbij de internationale gemeenschap deze misdaden als grove misdrijven heeft aanvaard[11]. Derhalve meen ik dat de 8 december “MOORDEN” voor het internationaal recht niet verjaren, hetgeen dan op nationaal niveau weer consequenties zal hebben.

 4.3  Verjaring naar het nationaal recht 

In tegenstelling tot het internationaal recht, heeft het nationaal recht wel bepalingen omtrent de verjaring opgenomen in het Wetboek van Strafrecht. Deze zijn respectievelijk het recht tot strafvordering, de artikelen 95 tot en met 98, de vervolgingsverjaring en die van het recht om straf te executeren, artikel 101, de strafverjaring[12]

De verjaringstermijnen conform artikel 96 Wetboek van Strafrecht zijn als volgt :

·    Twee jaren voor alle overtredingen ;

·    Zes jaren voor misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet
meer dan drie jaren is gesteld;

·    Twaalf jaren voor misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dat drie jaren
 is gesteld;

·    Achttien jaren voor misdrijven waarop de doodstraf of levenslange gevangenisstraf is
gesteld. 

Het gebeurde van 8 december 1982 is als een politieke moord gekwalificeerd, een kwalificatie die niet voorkomt in het huidig Wetboek van Strafrecht en dus strict genomen zich dan ook niet leent voor verjaring. 

Aangezien er sprake is van een misdrijf tegen het leven , neem ik tegen deze achtergrond de verjaring van de politieke moord in beschouwing. 

Bij toetsing van de verjaringstheorie blijkt het gestelde dat het gepleegde feit niet goed bewijsbaar meer is op te gaan. Na 21 jaar wordt de zaak onderzocht, personen die erbij betrokken waren, zijn misschien niet te vinden of zijn reeds overleden. Het feit dat zij die er nog zijn en een verklaring afleggen, doet bij mij de vraag rijzen of zij de waarheid vertellen. Het forensisch onderzoek zal niets kunnen vertellen over de weke lichaamsdelen die reeds zijn vergaan. Daarnaast lijkt het mij niet gemakkelijk te bewijzen wie de dader c.q. daders zijn. 

Daarnaast is het Fort Zeelandia, de plaats waar de “MOORDEN” hebben plaatsgevonden, weer verworden tot museum. Hierdoor is het mogelijk dat ander feitelijk materiaal verloren is gegaan. 

Als in casu strict zal worden gehouden aan het vrijwel gesloten strafsysteem en er daarbij geen ruimte wordt gelaten voor rechtsvinding, dan komt het mij voor dat de rechtsovertuiging van welwillende Surinamers geschokt zal zijn, dat deze daad die tegen de rechtsorde gaat niet opgehelderd is c.q. berecht wordt. 

Het blijkt dat 70,4% van de ondervraagden van mening is dat de rechter nieuw recht dient te scheppen, indien de wet niet voorziet. Redenen die daarbij ondermeer zijn aangehaald zijn :

-    een misdrijf kan ongestraft blijven vanwege een verouderde wet;

-    een ieder kan strafbare feiten plegen en dan niet gestraft worden;

-    de rechter dient recht te spreken;

-    voor iedere strafbare gedraging dient er straf op te staan. 

Voor wat het tijdsverloop betreft, blijkt dat het verstrijken van 21 jaar niet tot gevolg heeft dat er minder behoefte is aan bestraffing van de daders. Van de ondervraagden is 72,6% deze mening toegedaan. Daarnaast wordt elk jaar weer op 8 december 1982 de roep vanuit de gemeenschap naar gerechtigheid nadrukkelijk gehoord, met als gevolg dat het misdrijf herbeleefd wordt. 

Een argument dat pleit voor verjaring is dat de verdachte niet langer dan redelijk moet leven onder de dreiging van strafoplegging. Van de ondervraagden is 50% het eens met deze gedachte, met o.a. als reden dat de dader dient te weten waar hij aan toe is. Ik ben niet geneigd rekening te houden met de dader, omdat hij erop bedacht moet zijn dat er vroeg of laat berechting zal plaatsvinden. Bovendien hebben de verdachten in casu zichzelf in de positie gebracht dat zij tot heden leven onder de dreiging van strafoplegging. Deze gedachte deelt 7% van de ondervraagden. 

Het rechtszekerheidsbeginsel snijdt hier duidelijk aan beide kanten, zowel aan de zijde van de dader als aan die van de slachtoffers c.q. nabestaanden. De vraag die hierbij gesteld dient te worden is, wat beoogt dit beginsel in dit specifieke geval en welk belang prevaleert of dient te prevaleren ? 

Het rechtszekerheidsbeginsel is naar mijn mening naar de dader toe niet in het geding, want hij weet dat hij berecht zal worden, althans elk moment pogingen daartoe zullen of kunnen worden ondernomen, alleen het tijdstip waarop hij berecht zal worden is onzeker. 

Ook naar de nabestaande toe is hetzelfde rechtszekerheidsbeginsel niet in het geding, want ook zij verwachten en horen de zekerheid te hebben dat zij genoegdoening krijgen in de vorm van berechting of tenminste opheldering c.q. waarheidsvinding. Zolang er daarvan geen sprake is, zullen zij met een onbevredigd rechtsgevoel opgescheept zitten, terwijl de pleger van het strafbare feit de draad van zijn leven weer kan oppakken en mogelijk recidiveert. Derhalve heeft de stelling von Feuerbach mijn sympathie dat “de dwang die uitgaat van strafbedreiging en executie tezamen ondergraven wordt als daarop straffeloosheid op termijn in het vooruitzicht wordt gesteld”[13]

De verwachtingen van het rechtzekerheidsbeginsel, genoegdoening naar de nabestaanden toe en de wetenschap van het moment van de berechting van de dader, staan tegenover elkaar. Uit het verzoekschrift van de nabestaande d.d. 15 maart 2000 is expliciet door de verzoekers aangegeven dat zij het recht en belang hebben genoegdoening te verkrijgen door middel van strafrechtelijke sancties. 

Inherent aan de menselijke natuur ligt de vergeldingsgedachte c.q. genoegdoening diep geworteld. De strafwetgeving heeft deze natuur in banen trachten te leiden en heeft gekozen voor straffeloosheid op termijn ten faveure van de dader. De rede van de mens is hierin vervat. 

Een vaak gehoorde uitspraak in Suriname als individuen elkaar schade of leed berokkenen is “Libi eng gi Gado[14]”. Hiermee wordt bedoeld dat recht zal worden gesproken, al zal dat niet geschieden door een aardse rechter. Hierin is het rechtsbewustzijn van de mens vervat en dit bewustzijn ervaart primair het onrecht gevolgd door de rede. 

Heden ten dage wordt de mens gezien als kapitaal, waarbij vooral zijn immateriële behoeften centraal staan. Tot nog toe wordt het strafrecht als dader vriendelijk ervaren. De criminaliteit is er niet minder door geworden, terwijl daders recidiveren. Slachtoffers of nabestaanden daarentegen dragen de last van het verleden met zich mee. Wordt het geen tijd dat het strafrecht nu slachtoffer- of nabestaandenvriendelijker wordt ? 

Derhalve ben ik de mening toegedaan dat in casu genoegdoening voor het slachtoffer of de nabestaanden dient te prevaleren boven de wetenschap van het moment van de berechting van de dader. 

Bij verjaring wordt eveneens gesteld dat de inbreuk die de schending heeft gemaakt is vervaagd en de maatschappelijke rust zou zijn teruggekeerd. Hierboven is reeds aangetoond dat daarvan geen sprake is. Het belang van de nabestaanden staat hier tegenover dat van de gemeenschap.

Ik ben geneigd het belang van de nabestaanden voorop te stellen, omdat zij de gevolgen van het strafbare feit dagelijks nog merken en niet de gemeenschap. De gemeenschap mag niet van de nabestaanden verwachten dat zij op een bepaald moment hun rechtsbewustzijn als gevolg van verjaring bevredigend moeten zien, want hun leed is niet aan verjaring onderhevig. 

Anderzijds kan niet voorbij worden gegaan aan de mogelijke consequenties die zouden kunnen voortvloeien uit een eventuele vervolging voor de totale gemeenschap. 

Van de ondervraagden geeft 49,5% aan zowel rekening te houden met de gemeenschap en de nabestaanden tezamen, terwijl 13,7 % aangeeft het belang van de nabestaanden voorop te stellen. 

Derhalve vind ik het niet redelijk een verjaringstermijn te handhaven voor ernstige misdrijven, en zeker niet in gevallen waar het hoogste goed “het recht op leven” is geschonden, hetgeen in casu het geval is. Dit principe is niet ondenkbaar omdat blijkt dat er staten zijn die geen invloed toekennen aan het tijdsverloop m.n. Engeland of bij bepaalde delicten[15]

Derhalve onderschrijf ik volledig hetgeen de opstellers van het Covim-rapport stellen namelijk

“gestreefd zal moeten worden dergelijke gevallen te beschouwen als het commune strafrecht overstijgend en bij het verwerken daarvan vooraf er voor zorg te dragen, dat verjarings- en vervaltermijnen, als mede het op grond van geconstateerde vormverzuimen ontstane nietigheden en niet-ontvankelijkheden, de werkelijke procesgang niet in de weg zullen staan [16]“. 

Ten aanzien van vormverzuimen en procedurele regels geeft 80% van de ondervraagden aan, dat deze niet een belemmering dienen te vormen voor de verdere rechtsgang inzake 8 december 1982. Enkele redenen die hierbij zijn aangehaald zijn :

-    de dader ontloopt op die manier zijn straf;

-    het betreft een zware zaak;

-    de zaak moet opgelost worden. 

Bovendien komt het mij voor dat als de overheid c.q. de personen met staatsmacht bekleed, overgaat tot het van het leven beroven van zijn burgers het hek van de dam is. De overheid hoort juist te waken dat rechten worden beschermd en maakt gebruik van regelgeving om de samenleving te ordenen. Vanwege haar verantwoordelijkheid naar de gemeenschap toe, heeft zij de plicht meer dan welke burger dan ook zich te houden aan wet en recht. De gemeenschap kijkt naar haar op. 

Vandaar dat ik de mening ben toegedaan dat de verjaringstermijnen gesteld voor de doorsnee dader niet van toepassing mogen zijn op plegers van strafbare feiten die in een zodanige positie waren om met de door hen verworven macht naar eigen believen te gebruiken. Strafrechtelijk mag dit gegeven verzwarend werken. Van de ondervraagden deelt 22,9% deze visie met ondermeer als reden dat zij voorbeeldfiguren zijn, terwijl 71,9% ervan uitgaat dat zij dezelfde strafrechtelijke behandeling dienen te krijgen, omdat ondermeer alle mensen voor de wet gelijk zijn. 

De toenmalige machthebbers hebben nagelaten een onderzoek te doen naar de “MOORDEN”. Gezien de toen grimmige sfeer is het ook niet ondenkbeeldig dat van een goede procesgang nauwelijks sprake zou zijn. Zo stelt een der nabestaanden aan het VN-Comité voor de Rechten van de Mens dat

“ it became obvious from different sources that the highest militairy authority... was involved in the killing” (...) because of the atmosphere of fear one would find no lawyer prepared to plead such a case, considering the fact that three lawyers have been killed (...)[17].

 Gegeven deze omstandigheid kan ook de vraag worden gesteld of het redelijk en billijk geacht moet worden om een verjaringstermijn te doen aanvangen conform artikel 97 van het Wetboek van Strafrecht. Hierop dien ik ontkennend te antwoorden. 

Op grond van de theorie omtrent verjaring en de daarbij aangehaalde begrippen blijkt dat er geen behoefte is dat de gebeurtenis van 8 december 1982 zou moeten verjaren. Als nabestaande wenst 88% van de ondervraagden dat deze gebeurtenis niet verjaard en als burger 76,8%.
 

4.4  De gevolgen van de kwalificatie op internationaal niveau 

De inbreuk die de gebeurtenis van 8 december 1982 heeft gemaakt in de Surinaamse gemeenschap doet mijns inziens niet onder voor de meer omvangrijke schendingen van de rechten van de mens in de wereld. 

Inzake de gebeurtenis van 8 december 1982 heeft het VN-Comité voor de Rechten van de Mens vastgesteld dat het recht op leven is geschonden en aan Suriname gevraagd gepaste stappen te ondernemen ter oplossing van dit misdrijf. 

Een gevolg van de kwalificatie is dat Suriname bij het niet voldoen aan dit verzoek te boek zal staan als een land dat zich niet aan verdragen houdt en het internationaal recht ter zijde schuift. Daarnaast als een land dat de rechten van de mens schendt zonder dat er van een adequate berechting sprake is.

4.5 De gevolgen van de kwalificatie op nationaal niveau 

Met verwijzing naar hetgeen in paragraaf 4.3. aan de orde is gesteld, is gebleken dat er nationaal geen behoefte is aan verjaring van de december “MOORDEN”. 

Deze moorden zijn als politieke moorden gekwalificeerd en een misdrijf dat niet in het Wetboek van Strafrecht is neergelegd. Een gevolg van deze kwalificaitie is, dat in dit specifieke geval sprake is van rechtsvinding. In Nederland blijkt met name op het terrein van het personen en familierecht dat de nationale wetgeving zich conformeert aan de rechtsontwikkelingen vanuit het internationaal recht met name het Europees Verdrag voor Mensenrechten. Ook Suriname dient zich meer te gaan conformeren aan hetgeen het door middel van verdragen is overeengekomen en dat dient haar weerslag in de nationale wetgeving te vinden of tenminste dat er enige rechtsontwikkeling te bespeuren valt. 

Wil er recht worden gesproken dan zullen de rechtsbeginselen en het gewoonte recht integraal op een casus toegepast moeten worden. Als er strak aan de grenzen van het ene rechtsgebied wordt vastgehouden met daarbij veronachtzaming van de overige rechtsgebieden en beginselen, dan lijkt het mij niet gemakkelijk om deze casus op te helderen. Vervaging van deze grenzen is essentieel daarvoor. 

Het strafrecht zal om recht te kunnen spreken, het vrij gesloten systeem moeten verlaten. Het blijkt dat de rechter ook steeds minder als spreekbuis van de wet en steeds meer als wetsvertolker moet fungeren, terwijl de taken die de wetgever hem opdraagt ook vaker gelijkenis vertonen met een naar billijkheid oordelende scheidsman[18].

Aangezien het rechtsbewustzijn van de mens aan het veranderen is in de veranderende wereld, verandert het recht ook mee. Dit betekent dat wettelijke bepalingen op een gegeven moment achterhaald zullen zijn , waardoor er hiaten ontstaan in de regelgeving. De rechtspraak heeft mijns inziens dan de taak recht te doen geschieden.

Door het ontbreken van een effectief rechtsmiddel, de bijzondere positie van de verantwoordelijken in deze, de behoefte van de gemeenschap om berechting c.q. opheldering, was er geen noodzaak tot stuiting van de verjaring.  Daarnaast is het recht op leven een fundamenteel mensenrecht. Daar mensenrechtenschendingen niet aan verjaring onderhevig zijn en Suriname voorrang geeft aan het verdrag c.q. een ieder verbindende bepaling van overeenkomst, was de stuiting eveneens niet noodzakelijk. Gesteld kan worden dat de 8- december “MOORDEN” 1982 niet verjaren.


Voetnoten

[1] Dorst A.J.A., proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor in de rechtsgeleerdheid
   aan de Katholieke Hogeschool Tilburg op gezag van rector magnificus prof.dr.R.A.de Moor, 
   De verjaring van het recht tot strafvordering , 1985, pag. 46.
[2] Supra noot 93, pag. 572.
[3] Ibidem.
[4] Corstens G.J.M. , Het Nederlands strafprocesrecht, 1995, 2e druk, pag. 194.
[5] Supra noot 99, pag. 572.
[6] Supra noot 97, pag. 27.
[8] Supra noot 77, pag. 28.
[9] Supra noot 102, pag. 101.
[10]Op 11 september 1973 werd de macht in Chile overgenomen door Pinochet in naam van een
   kleine groep welgestelde Chileense elite. Zij waren bevreesd dat de aangekondigde
   hervormingen ten voordele van de massa arme arbeiders en boeren een omwenteling zou
   brengen in bestaande status verhoudingen. Pinochet heeft gedurende zijn bewind via
   officiële instituten terroristische acties doen uitvoeren in Chili en daarbuiten tegen
   vermeende tegenstanders van zijn bewind. SJB maart 2001, pag. 52-53.   
[11] Supra noot 106, pag. 56.
[12] Supra noot 100, pag. 194.
[13] Supra noot 105, pag. 104.
[14] Laat het aan God over.
[15] Supra noot 109, pag. 45.
[16] Supra noot 73, pag. 4.
[17] Supra noot 62, pag. 188.
[18] Wiarda G.J. , Drie typen van rechtsvinding , 3de druk, 1988, pag. 15.

 

SAMENVATTING

Het recht op leven werd ontnomen aan vijftien Surinamers op 8 december 1982. De opdracht daartoe werd met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gegeven door het Militair Gezag. Tot op heden heeft er geen berechting van deze schending plaatsgevonden.

Het internationaal recht heeft zich uitgelaten over deze casus en wel het VN-Comité voor de Rechten van de Mens, waarbij is aangegeven dat het recht op leven is geschonden conform artikel 6 van het IVBPR. Deze uitspraak is derhalve van betekenis op de verjaring van het gebeurde.

Redenerend vanuit het internationaal recht, de bestudering van de nationale wetgeving en de omstandigheden in achtnemend, blijkt er sprake te zijn van een bijzondere moord c.q. een politieke moord. De huidige wetgeving blijkt hiaten te vertonen.

Bij toetsing van de begrippen omtrent verjaring en blijkt verder dat stuiting van de 8 december “MOORDEN” niet noodzakelijk was. 


CONCLUSIES

Naar aanleiding van het in deze scriptie aangehaalde kan het volgende worden geconcludeerd.

Evident is dat het recht op leven van vijftien personen op 8 december 1982 is geschonden, een recht dat zowel op nationaal als internationaal niveau is beschermd.

In deze zaak heeft het VN-Comité voor de Rechten van de Mens vastgesteld dat het recht op leven is geschonden, waarin ik tevens de juridische kwalificatie voor dit specifieke geval aanwezig acht. Daarnaast zijn er genoeg feiten en omstandigheden aanwezig om te stellen dat deze schending ook onder de noemer van systematische schendingen van de rechten van de mens en misdrijven tegen de menselijkheid gekwalificeerd kan worden.

Gezien het feit dat het verdrag c.q. het IVBPR voorrang heeft op het nationaal recht , ben ik van mening dat de verjaring niet gestuit hoefde te worden. Ook de aard van het geschonden verdragsartikel , dat een ieder verbindende bepaling van de overeenkomst betreft, is in casu relevant. Daarnaast is het recht op leven een fundamenteel recht voor de mensheid, de overige mensenrechten zijn slechts accessoire rechten.

Wordt deze schending op nationaal niveau bekeken, dan blijkt het Wetboek van Strafrecht niet adequaat te voldoen. Ik meen dat er in casu sprake is van een politieke moord, gezien de omstandigheden en de personen die daarbij een verwijt kunnen worden gemaakt.

De legaliteit van de kwalificatie politieke moorden vindt zijn weerslag primair in het Wetboek van Strafrecht Titel XIX , misdrijven tegen het leven. Daarnaast in zowel het IVBPR ( artikel 6), de Surinaamse Grondwet (artikel 14 ).

Voor het internationaal recht blijkt verjaring geen erkend rechtsgoed te zijn, derhalve is verjaring niet van toepassing op de gebeurtenis van 8 december 1982.

Redenerend vanuit het internationaal recht is verjaring ook niet van toepassing op nationaal niveau. Daarnaast blijkt bij toetsing van de gedachte over verjaring op nationaal niveau, dat er ook geen behoefte is dat de “MOORDEN” van 8 december 1982 verjaren.


Bibliografie

Categorie bronnen:
Handboeken
Artikelen
Brochures
Collegemateriaal
Rapporten
Scripties/stageverslagen
Gesprekken

Handboeken

§     Baehr P., 1998. De rechten van de mens, Universaliteit in de praktijk

§     Bemmelen van J.M. 1990. Het materiële strafrecht, Bijzondere delicten, 8ste druk
   bijgewerkt door Veen van Th. W.

§     Bronkhorst D., 1995. Truth and Reconciliation.

§     Burkens M.C. , Kummeling H.R.B.M., Vermeulen B.P., 1990 Beginselen van de
  democratische rechtsstaat

§     Coolen G.L. , 1991. Militair straf- en tuchtrecht

§     Corstens G.J.M. , 1995.  Het Nederlands strafprocesrecht, 2e druk

§     Dorst van A.J.A. , 1985. Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor in de
  rechtsgeleerdheid aan de Katholieke Hogeschool Tilburg vop gezag van rector
  magnificus prof. Dr. R.A. de Moor. De verjaring van het recht tot strafvordering.

§     Fontaine J., 1972. Zeelandia de geschiedenis van een Fort .

§     Hazewinkel -Suringa, D., Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht,
  12e druk bijgewerkt door Remmelink J.

§     Haakmat A., 1987. De revolutie uitgegleden.

§     Henkin L. 1981. The International Bill of Rights, The Convenant on Civil and Political
  Rights.

§     Henkin L. 1990. The Age of Rights.

§     Knigge G. , 1990. Leerstukken van strafprocesrecht.

§     Kooijmans, P.H., 2000. Internationaal publiekrecht in vogelvlucht.

§     Malanczuk P.,1997. Modern introduction to international law.

§     Slagveer J. 1980. De Nacht van de Revolutie.

§     Waaldijk L. Th. , 1998. Grondslagen van het strafrecht in Suriname.

§     Wiarda G.J., 1988. Drie typen van rechstvinding, derde herziene druk.

Artikelen

§     Fernandes Mendes, H., Suriname en Mensenrechten in het N.J.C.M. bulletin
  Nederlands tijdschrift mensenrechten no. 2, jaargang 8, 1983.

§     Mensenrechtenschendingen, dagblad De Ware Tijd, Kompas , 14/10/2000.

§     OM belast onderzoeksteam met verhoren inzake 8 decembermoorden Avondblad
  De West , 26/10/2000.

§     De getuigenis van Fred Derby, dagblad De Ware Tijd , 04/06/2001.

Brochures

§     Organisatie voor Gerechtigheid, 1996. Sporen zoeken.

§     Organisatie voor Gerechtigheid, 2001. Zolang ze praten, blijf ik.

§     Stulemeyer J.E., 1987.  Kamptoestanden in Nederlands Oost-Indië en Suriname
  1940-1946, getuigenissen en commentaren bijeengebracht door J.E. Stulemeyer

§     Surinaams Juristen Blad, maart 2001 no. 1.

§     Uitgave Moiwana ’86, 1995.      Nieuwsbrief, De December Moorden.

§     Uitgave Moiwana ’86 , 10 december 2000. Moiwana Nieuws , Dag van de Rechten
  van de Mens.

 Collegemateriaal

§     Mac Donald H., Anton de Kom Universiteit van Suriname, Reader Mensenrechten. 

Rapporten

§     Dugard C.J.R. Senior Counsel Supreme Court of South Africa, Professor of Public
  International Law University of Leiden.

§     Nederlands Juristen Comite voor de Rechten van de Mens, 1983 . De gebeurtenissen
  in Paramaribo, 8-13 december 1982; de gewelddadige dood van 14 Surinamers en 1
  Nederlander, Leiden.

§     Wako A. , United Nations Question of the Violation of Human Rights and
  Fundamental Freedoms in any parts of the world, with particular reference to
  colonial and other dependent countries and territories

§     Waaldijk, L. e.a. , 1999. COVIM, Resultaat geintegreerd onderzoek, Rapportage en
  wetsvoorstellen tot instelling Waarheidscommissie en Hof ter berechting van
  mensenrechtenschendingen ingepast in een ontwerp wet R.O.

 Scripties/stageverslagen

§     Cadogan M., 2000. Anton de Kom Universiteit van Suriname, Doctoraal scriptie, De
  instelling van het Internationaal Strafhof

§     Dongen van, R, 1999. Vrije Universiteit Amsterdam, Doctoraal Scriptie, De
  Decembermoorden berecht ?

§     Levens, R.E., 2000. Anton de Kom Universiteit van Suriname, Doctoraal Scriptie, 
  Schendingen van Mensenrechten in Suriname, gedurende de periode 1980 tot en
   met 1990.

§     Patterson, L.T., 2000. Anton de Kom Universiteit van Suriname, . Doctoraal 
  Scriptie, Strafbaarstelling ex artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht.

§     Veira , D.R. , 1998. Anton de Kom Universiteit van Suriname, Stageverslag, De
  taken van het Nationaal Leger.

Gesprekken

§     Mr. Kruisland F., Advocaat bij het Hof van Justitie.

§     Mr. Miranda M., Rechter, lid-plaatsvervanger bij het Hof van Justitie.

§     Mr. Polanen S., Docent aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname.

§     Mr. Ravenberg L., Substituut Officier van Justitie.

§     Mevrouw Thijm L. , griffier Kantoor Rechter Commissaris.

§     Prof. Dr. Vrede M. , Patholoog-Anatoom.