Geachte lezer,

Als onderdeel van de geschiedenis behoren ook zij, die tijdens de uitoefening van hun dienstverrichting het leven hebben gelaten.

In memoriam:

Bartho Howard Karwofodi
 

 


Het begrip POLITIE

Het woord Politie is afgeleid van het Grieks woord “POLITEIA”, dat Staats- of Stadsbestuur betekent.

Oorspronkelijk heeft politie in Suriname de betekenis gehad van zorg voor het “gehele” Staatsbestuur. In het midden van de vorige eeuw betekende het de zorg voor het binnenlandse bestuur. Thans betekent het de zorg voor de handhaving van de orde, rust en veiligheid van de samenleving; Het opsporen van strafbare feiten en toezicht houden op de naleving der wettelijke voorschriften. 

Naar aanleiding van de verschillende taken wordt er een onderscheiding gemaakt, n.l.:

1. Functioneel.

de Repressieve Politie (opsporen van strafbare feiten; toezicht houden op de naleving van wettelijke voorschriften) ook aangeduid als Justitiële of Criminele Politie.

De Preventieve Politie (handhaving van de openbare orde en veiligheid; voorkomen van inbreuken en bescherming van personen en goederen) ook wel Administratieve of Veiligheid Politie.

2. Organisatorisch.

de Algemene Politie.(Algemene opsporingsbevoegdheid)

de Bijzondere Politie. (Beperkte opsporingsbevoegdheid)

de Militaire Politie. (Algemene opsporingsbevoegdheid op militaire plaatsen en objecten en beperkte opsporingsbevoegdheid op openbare plaatsen.

Suriname is een rechtsstaat met verwijzing naar het vak Staatsinrichting. Enkele kenmerken zijn:

een Overheid met de President aan de leiding, gebonden door wet en het recht.

een Grondwet, waarin de grondrechten van de burgers en de verhoudingen tussen overheid-burger worden gegarandeerd.

De Trias Politica, waarbij er sprake is van een onafhankelijke rechterlijke macht.

Aandeel van de politie is in het algemeen terug te vinden in de verschillende taken en bevoegdheden die in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag worden uitgevoerd. De overheid biedt namelijk de garantie aan de burgers voor waarborging van haar rechten (rechtszekerheid), aangezien de politie gerekend mag worden tot de uitvoerende macht ( Trias Politica). Hieruit blijkt dat de politie nimmer als vierde macht kan fungeren. 

Korte geschiedenis. 

Voor 1828: Geen afgebakende politiefunctie. Vermoedelijk meer uitvoering van bestuurshandelingen. Samenwerking tussen politie, militairen en veldwachters als Dienaren der Justitie. 

Vanaf 1828: Onderscheid tussen landelijke en Plaatselijke Politie, alsmede de formulering van de politietaak. De Landelijke Politie bestond uit militairen belast met werkzaamheden in de buitendistricten. De Plaatselijke Politie uit politieagenten in het Stadsdistrict Paramaribo. 

In 1863: Ontstaan van het Korps Marechaussee in verband met de opheffing van de slavernij. Het Korps Marechaussee nam van de militairen over als Landelijke Politie. Ook het ontstaan van een korps BAVP-ers in verband met bijstand. De Procureur-generaal heeft bevel over Landelijke Politie en Plaatselijke Politie.

In 1867: Ontstaan van de derde politiemacht te weten Korps Inlanders.

1.      Korps Niet Inlanders.

2.      Korps Inlanders.

3.      Korps Marechaussee.

4.      Bijstand van de BAVP-ers 

In de buitendistricten onder leiding van de Districtscommissarissen.

In 1878: Ontstaan van het Korps Inlandse Politie door samenvoeging van de NIET en de INLANDSE.  

Tussen deze korpsen bestond samenwerking onder bevel van de Procureur-Generaal.

Verder de samenstelling van de eerste ambtsinstructie waarin werd vastgesteld: (GB. 1878 nr. 25)

1.      de Politiefunctie

2.      de Bevoegdheden en

3.      de Rechtspositie van de ambtenaren van politie. 

In 1895: Ontstaan van het Korps Gewapende Politie belast met politiewerkzaamheden over het gehele land.( geldt als officiële oprichting)

1.      Scheiding tussen Korps Gewestelijke Politie en het Korps Marechaussee.

2.      Onderscheid tussen ambtenaren van politie en beambten van politie.

3.      De Procureur-generaal bleef opperbevel.

4.      De Commissaris van politie kreeg de leiding in Paramaribo.

5.      De Districtscommissaris in de districten. 

In 1935: Militairen worden beëdigd tot BAVP-ers en als ondersteuning ingezet met de Politie. 

In 1943: De Commissaris van Politie draagt het bevel het bevel over aan de Districtscommissaris van Paramaribo en werd belast met het beheer en organisatie van de Politie. 

In 1948: Naamsverandering Commissaris werd Hoofd van de Dienst. 

In 1954: Oorlogstijd. Bevoegdheden van de Politie gaan over op het Militair Gezag, waardoor Politie ambtenaar ondergeschikt werden aan de Militairen.

In 1973: Invoering van het Politie Handvest en naamsverandering in Korps Politie Suriname. Ook een organisatiestructuur Korps Politie Suriname

1.      een hiërarchische organisatie (rangenstelsel).

2.      een andere taakuitoefening (functioneel).

3.      de gebondenheid met Justitie.

 

 

De politie in Suriname vóór 1895

In vorige eeuwen kende men in Suriname nog geen beroepspolitie voor handhaving van de binnenlandse orde. In Paramaribo zetelde wel een fiscaal een functie die vergeleken kan worden met die van Procureur-generaal in onze tijd, ( Sur. Fiskari ), die werd bijgestaan door een schout ( Sur. Skotoe ) en twee politiedienaren. In 1800 werd in verband met de toenemende onveiligheid dit aantal uitgebreid tot zes.


Het uniform bestond toen uit een blauwe rok, rode kraag, wit vest en broek. Het wapen van de kolonie werd aan een zilveren ketting op de linkerborst gedragen. De schout had als wapen een degen, de politiedienaren hadden sabels. In de distrikten was de handhaving van de openbare orde toevertrouwd aan de gewapende burgerij, waarbij waren ingedeeld "alle valide vrije blanken, kleurlingen".

In 1828 werd de zorg voor de politie opgedragen aan een wethouder, onder wie zouden dienen een Commissaris van Politie, een luitenant van politie, agenten van politie, dienaren der justitie en veldwachters.


In 1833 werd de zorg overgenomen door de Procureur-generaal, die tot heden hoofd van de politie is gebleven. In 1857 werd ten behoeve van de politie een politiebureau in gebruik genomen aan de Waterkant bij de Plattebrug. Dit gebouw had in de volksmond de naam van Lont'oso (in 1930 werd dit gebouw afgebroken en weer aan de Wanicastraat opgezet, om daar dienst te doen als Buiten-Gasthuis).
 

Foto: links Lont oso, rechts firma de Haas later verbouwd tot politiebureau


In 1858 werd aan de Zwartenhovenbrugstraat ook een tweeverdiepingsgebouw in gebruik genomen als woning of kazerne voor politieagenten. In dit gebouw werd op 30 juni 1932 het Politietehuis geopend. In het laatste kwart van de 19e eeuw werden de goud- en balatawinning belangrijk in Suriname. Met het sluiten van de contracten en het toezicht op de naleving daarvan werd in 1893 de politie belast.

Met de afschaffing van de slavernij in zicht werd het politiewezen in 1863 grondig gereorganiseerd.

Er werden toen twee korpsen gevormd:

het Korps Marechaussees, bestaande uit een opperwachtmeester, twee wachtmeesters, acht brigadiers, 20 marechaussees 1e en 20 marechaussees 2e klas. Als vervoer hadden zij de beschikking over 12 paarden.

het Korps Politieagenten, bestaande uit vier agenten 1e klas, acht agenten 2e klas en acht agenten 3e klas.


In 1867 werd ook opgericht een politiemacht onder de naam "Korps Inlanders". Dit korps bestond uit hoofdlieden en agenten 1e en 2e klas. De hoofdlieden konden ook niet-inlanders zijn. Zij moesten kunnen lezen en schrijven en bekend zijn met de politietaken.

In 1873 werd ook de mogelijkheid geopend om "buiten bezwaar van de koloniale kas" buitengewone agenten van politie aan te stellen.

In 1878 werd bepaald dat de marechaussees vooral dienst zouden doen in de buitendistrikten, terwijl het Korps Inlanders vooral dienst zou doen in Paramaribo.

In 1878 werd ook bepaald dat het uniform zou bestaan uit een donkerblauwe jas, een witte of donkerblauwe broek, een donkerblauwe muts met een koperen nummerplaat.


De leiding had als wapen sabel en pistool, de marechaussees een karabijn met bajonet, een korte sabel en een pistool, terwijl de andere politieagenten een sabel en een gummistok droegen. Zo was de situatie, toen in 1895 de hele organisatie weer werd veranderd en het Korps Gewapende Politie werd ingesteld.

De eerste vijftig jaren ( 1895-1945 )

De politie ging aan de slag. Voor de uitoefening van haar taak beschikte zij over een korps dat bestond uit een Commissaris van Politie, een hoofdinspecteur, twee inspecteurs, drie adjunct-inspecteurs, 26 hoofdagenten en 187 agenten 1e, 2e, 3e en 4e klas.


Het hoofdbureau was gevestigd aan de Waterkant bij de Plattebrug, in het gebouw dat in de volksmond bekend stond als Lont' oso.

Daarnaast waren er in Paramaribo vijf posthuizen en wel

- op de hoek van de Gravenstraat en de Grote Combéweg;

- op de hoek van de Kwattaweg en de oude Charlesburgweg;

- aan de Zwartenhovenbrugstraat, in het gebouw van het huidige politietehuis;

- op de hoek van de Saramaccastraat en de Zwartenhovenbrugstraat, een post die in de volksmond bekend stond als Krabitawakti, omdat   loslopend vee daar werd geschut;

- te Lanti djari, het huidige Mr. J.C. Bronsplein.


Politiepost Poelepantje ten tijde van de oprichting Korps gewapende Politie

Ook in de distrikten waren er vele posten gevestigd. In 1895 bij de start van de werkzaamheden van het nieuwe korps, waren er. posten ( met achter de plaatsnaam het aantal agenten dat daar diende ) te:
 


Poelepantje 5
Nieuw-Amsterdam 6
Domburg 5
Onoribo 4
Bosland 4
Republiek 3
Carolina 2
Berg en Dal 2
Frederiksdorp 6
Marienburg 5
Ephrata 3
Sommelsdijk 4
Groningen 4
Nassau 3
Mindrineti 2
Uitkijk 3
Coronie 5
Nickerie 7
Albina 4
Boven-Marowijne/Lawa 4

Opvallend in dit rijtje is dat vrijwel alle posten waren gelegen aan een rivier.
Het wegennet was toen nog slecht ontwikkeld in Suriname. De nederzettingen (plantages) lagen alle aan een rivier en vrijwel alle verkeer vond over water plaats. Daarom beschikte elke politiepost ook over een of meer roeiboten en overal waren er ook politieroeiers in dienst. Motorboten en buitenboordmotoren kende men toen nog niet.

De goudwinning was op dat moment heel belangrijk in Suriname en enkele posten, - zoals Berg en Dal, Mindrineti, Bosland - waren speciaal bedoeld voor toezicht op de naleving van de bepalingen die op de goudwinning betrekking hadden, w.o. het betalen van belasting.

 

Lijfsvisitatie van goudzoekers door politie agenten.


Bosland en Mindrineti werden samengetrokken te Kwakoegron aan de Saramaccarivier, omdat die post later ook werd aangedaan door de trein. Sommige van de genoemde posten zijn in de loop der jaren verdwenen, omdat de economische activiteit in die omgeving terugliep en daarmee ook het aantal bewoners van het gebied.

In dit verband kunnen genoemd worden Ephrata, Sommelsdijk en Onoribo.
Maar ook het omgekeerde gebeurde.

De met politietaken belaste militairen kregen een aanvullende politionele opleiding en werden aangesteld als buitengewoon agent van politie. Ze bleven onderworpen aan het militaire straf- en tuchtrecht, maar in aangelegenheden hun politiedienst betreffende stonden zij in dezelfde verhouding tot de Procureur-generaal, de Commissaris van Politie en de distriktscommissaris, als alle andere buitengewone agenten van politie.

Het rapport van Bos stelde in 1910 voor om het leger op te heffen en aan de politie een meer militair karakter te geven, omdat enerzijds aan een buitenlandse inval niet moest worden gedacht en anderzijds het bestuur de beschikking moest hebben over een goed gedrild en aan troepsgewijs optreden gewend korps, om bij binnenlandse troebelen te kunnen worden ingezet.

De leiding en het kader zouden in hoofdzaak Europees moeten zijn, om volstrekte onafhankelijkheid tegenover de bevolking te bewaren. Surinamers die in aanmerking kwamen voor benoeming in hogere rangen zouden geplaatst moeten worden bij de politie in Nederland.

De krijgstucht zou op het politiekorps van toepassing moeten zijn, terwijl een groot deel van het korps gekazerneerd moest worden. Ook zou het politiekorps moeten worden uitgebreid.

De voorstellen van het rapport werden niet uitgevoerd, al werden tot na de Tweede Wereldoorlog nog militairen ingezet voor het uitvoeren van politiediensten, vooral in Nickerie en Albina. Het is niet onwaarschijnlijk dat de Commissie Bos zich bij de samenstelling van haar rapport mede heeft laten leiden door de gebeurtenissen van 1910.

Killinger gearresteerd, hij wordt opgebracht door Inpecteur Morren.

In dat jaar probeerde Killinger een omwenteling teweeg te brengen, waarna hij Suriname tot een Republiek zou uitroepen. Aan de vooravond van de geplande omwenteling lekte het complot uit en werden de samenzweerders opgepakt. De plannen veroorzaakten grote deining in de samenleving, vooral omdat de leider inspecteur van politie was en geholpen zou worden door enkele politieagenten.

Killinger was omstreeks 1875 geboren in Hongarije en daar, na een ongeluk met een vuurwapen, uit het leger ontslagen. Hij ging toen naar Nederland, waar hij tekende voor het koloniaal leger en naar Suriname werd uitgezonden in december 1899 als militair. In 1900 trad hij in dienst bij de politie, waar hij snel promotie maakte en in 1904 benoemd werd tot inspecteur. Hij wilde zich meester maken van de wapens van de politie, daarna het Fort Zeelandia bezetten, de regering arresteren en de macht in het land overnemen. Hij rekende daarbij op de steun van o.m. de plantagearbeiders.

Het plan lekte uit, Killinger werd ter dood veroordeeld, maar kreeg gratie en moest zijn straf verder in Nederland uitzitten. Over het uitlekken gaat het verhaal dat een van de samenzweerders bij de biecht het plan vertelde aan de priester die hem adviseerde de informatie door te geven aan de Procureur-generaal, waarna deze kon ingrijpen.

In de loop der jaren werden diverse wijzigingen aangebracht in de bepalingen met betrekking tot het korps. Zo werden de salarissen gewijzigd in die zin, dat niet meer gewerkt zou worden met de bedragen zoals vastgesteld bij de verordening van 21 december 1894, maar dat die geregeld zouden worden "naar de daarvoor bij de Koloniale huishoudelijke begroting toegestane gelden". Periodieke verhogingen zouden worden toegekend na gebleken ijver, plichtsbetrachting en bekwaamheid. Verpleging in een openbare ziekeninrichting zou niet meer kosteloos zijn, als de ziekte aan eigen schuld te wijten was.


Foto uit 1900: Een politieagent ( zittend rechts ) en een soldaat

In de instructie werden wijzigingen aangebracht die soms alleen maar een formeel karakter hadden. Zo werd in die van 1935 gesteld, dat politiefunctionarissen "strikt eerlijk, waarheidlievend en onomkoopbaar" moesten zijn.

Politie in dienst, of in uniform mocht niet in het openbaar roken, tabak kauwen of eten en drinken en zich niet begeven in een drankinrichting.

Maatregelen van geweld mochten door de politie slechts worden genomen:

- op ambtelijk bevel van het daartoe bevoegde gezag;
- tot noodzakelijke verdediging;
- tot het uiteendrijven van volksoplopen of samenscholingen en bij gewelddadig verzet;
- bij het stuiten op ernstige tegenstand;
- bij ontvluchting van veroordeelden en van verdachten.

Indien wapengeweld zou worden gebruikt bij volksoplopen, moest de politie eerst waarschuwen:

"Gehoorzaamheid aan de wet! Naar huis - of geweld zal worden gebruikt"!

Belangrijk is wat gezegd werd omtrent bevordering. "Gunstige rapporten, belangrijke dienstverrichtingen, een duurzaam goed gedrag, zowel in- als buiten dienst, voldoende dienstijver, takt om met het publiek om te gaan, goede persoonlijke hoedanigheden en lichamelijke geschiktheid, zomede praktische en theoretische bekwaamheid, kunnen aanleiding tot bevordering geven. Aan de bevordering tot agent van politie derde, tweede en eerste klasse gaat in het algemeen een opleiding, gevolgd door een examen, vooraf".

"De benoeming tot hogere rang dan van agent van politie der tweede klasse geschiedt bij keuze". Voor langdurige trouwe diensten bij de politie zouden medailles worden toegekend:

- in brons, na een diensttijd van 12 jaren;

- in zilver, na een diensttijd van 20 jaren;

- in goud, na een diensttijd van 30 jaren.

Ook de toe te kennen straffen werden in de nieuwe instructie keurig opgesomd. De zwaarste straf was ontslag. Dit kon ondermeer worden verleend bij "dienstweigering, openbare dronkenschap in- of buiten dienst, onzedelijk of liederlijk gedrag, herhaalde, juist gebleken, klachten wegens het maken en niet betalen van schulden". Ook omtrent de standplaatsen, de kleding en wapening en de geneeskundige behandeling werden sommige bepalingen herzien of aangevuld.

De vergoeding voor het gemis van vrije woning werd vastgesteld op f. 10,- 's maands voor agenten 4e, 3e, 2e klasse. Op f. 15, voor agenten 1e klasse.
Op f. 20,- voor hoofdagenten en op f. 25.- voor ambtenaren van politie.

De uniformen zouden in 1935 bestaan uit:

een jas van donkerblauw serge met een rij van zes platte knopen van wit metaal en staande kraag, gesloten met twee haken;
op de omslagen der mouwen twee kleine uniformknopen;
aan iedere buitenzijde van de borst een zak met klep, gesloten met een kleine uniformknoop;
aan iedere buitenzijde van het voorpand, een zak met klep;
op iedere schouder een schouderbedekking van dezelfde stof als de jas, aan de bovenzijde voorzien van een kleine uniformknoop en met haken op de schouder bevestigd; broek van donkerblauw serge;
een helmhoed voorzien van een W met een koninklijke kroon;
een pet voorzien van het Nederlandse wapen;
een regenmantel;
een paar beenzwachtels van donkerblauw serge.

De agenten mochten ook een jas van khaki en een broek van dezelfde stof of serge dragen. Voor de ambtenaren van politie was de uniformkleding in grote lijnen gelijk aan die van de beambten, alleen fijner en deftiger. Naast de onderscheidingstekens droegen de agenten 18, 2e, 3e en 4e klasse ook een volgnummer van wit metaal op ieder der schouderbedekkingen.

De onderscheidingstekens voor de hogere rangen waren:

- drie sterren voor de hoofdinspecteur
- twee sterren voor de inspecteurs
- een ster voor de adjunct-inspecteurs.

Als dagelijks tenue konden zij het uniform van khaki of van wit dril dragen, met een bijpassende pet. De kledingtoelage bedroeg 50 tot 100 gulden per jaar.
De verstrekking van kleding en/of kledinggeld werd nauwkeurig aangetekend in een kledingboekje.
De wapening werd voor alle politiefunctionarissen vastgesteld als een of meer van de volgende:

- revolver
- klewang of sabel
- wapen- of gummistok
- karabijn met bajonet.


De piauw-brigade.

Een bekende brigade bij de politie was vooral in de jaren twintig en dertig de piauw-brigade. Piauw was een vorm van loterij door de Chinezen naar Suriname gebracht en ook door anderen veel beoefend, omdat er toen nog geen andere loterij hier was. Door de Overheid werd evenwel het spel verboden, omdat het buiten haar controle viel. "Elk lot telt 120 Chinese letters of cijfers. De speler maakt daarvan negen zwart, waarna hij het lot teruggeeft aan de agent (vertegenwoordiger) die hem het lot verkoopt. Deze stipt op zijn lijst de zwart gemaakte nummers, noteert op het lot dag en uur van trekking, waarna de gelukkige bezitter zijn lot terugkrijgt. Men betaalt op een lot vijftig cent of veelvouden daarvan. Bij de trekking worden 120 papiertjes gemaakt, elk met een letter of cijfer, Deze papiertjes worden verdeeld over vier bussen.

Een vijfde bus met glazen deksel bevat drie dobbelsteentjes. De dobbelstenen worden geschud en telkens voor een bus geplaatst. De bus voor welke de dobbelstenen het hoogste aantal ogen aanwijzen, is de winnende bus. De letters of cijfers uit die bus worden voorgelezen en genoteerd.

Wanneer men het geluk heeft dat vijf letters overeenkomen met die welke men heeft zwart gemaakt, dan is men winnaar. Hoe meer letters overeenkomen met de zwart gemaakte, hoe groter de winst". Vaak deed de politie invallen in huizen die ervan verdacht werden gelegenheid te geven tot het beoefenen van het piauwspel, maar in de meeste gevallen waren de mensen dan al gewaarschuwd en waren de vogels gevlogen. Zelfs 'obia' werd soms aangewend om de politie op een afstand te houden.

Zo vertelt Mac Donald een interessant verhaal van een inval bij een zekere Paulina, die piauwloten liet verkopen door haar man Apau. Niemand hoefde bang te zijn voor de politie, verzekerde ze, want ze had 'obia' klaar gelegd. Inspecteur Mac Donald stoorde zich daar echter niet aan en besloot bij Paulina op bezoek te gaan en koos daarvoor negen uur in de avond. "Vergezeld van beambte H. ging ik op stap. Voor de poort van het bewuste erf gekomen werd even halt gehouden en kort de krijgsplannen uiteengezet voor 't geval wij met bijzondere wezens zouden moeten vechten. Wij waren beiden verlangend naar de strijd om wellicht op onze overwinning later te kunnen roemen. Volgens Paulina zou een regiment van 'bakroes' mij te lijf gaan. De eerste stap was niet zonder huivering gedaan. Want waarachtig ... die Paulina had niet gejokt. Achter de poort had zij heel wat snuisterijen (als oude prasara-siesiebies en dies meer) gelegd en aan een ijzeren ketting verdere obiavoorwerpen gebonden. Bij het openstoten van de poort maakte deze ijzeren ketting een groot lawaai, hetgeen mij voor een moment deed omzien, wat of er achter mij plaats vond. De bakroes waren echter niet verschenen. Een man, die op de drempel van een kamertje op het erf zat, lichtte mij op mijn verzoek in, dat Paulina thuis was en het laatste kamertje bewoonde met Apau, doch dat deze laatste naar Kong-Ngie-Tong voor de piauwtrekking was.

Uiteraard was ik niet in uniform en had deze Engelsman niet in de gaten met wie hij te doen had, zodat hij mij nog toevoegde: 'Take care man, look out for the police, you better come in the morning that is the best time'. Ik verzekerde mijn engelse vriend dat ik met piauw gedroomd had en daarom niet mocht wachten tot de volgende dag. Hij gaf mij daarop ten antwoord: 'All right, come again at about eleven o'clock, then Apau is home'.

Ik ging het erf weer uit en nam op een stoep van een daartegenoverliggend huis plaats om te wachten op Apau. En die kwam ook, doch eerst omstreeks 1 uur in de nacht. Toen hij zijn poort wilde openstoten, hield ik hem staande, maakte hem mijn hoedanigheid bekend en haalde uit zijn zak een bundel met piauwtrekkingslijsten. Apau verzocht mij hem toe te staan eerst zijn vrouw te groeten voor ik hem wegbracht, waartegen ik niet het minste bezwaar had. Ik was namelijk ook benieuwd te weten wat vrouw Paulina nu zou zeggen. Met Apau ging ik het erf op en werd op zijn kloppen de deur van zijn kamertje door zijn lief vrouwtje geopend. Wij stapten binnen en ... daar had je de bakroes - neen Paulina - aan het dansen. Zij had slechts een wit-katoenen hemd aan en haar blote armen slingerde zij om mijn hals om mij blijkbaar met een omhelzing te vereren, zou U denken. Neen, zo lief vond zij mij niet. Integendeel, haar bedoelingen ten opzichte van mij waren niet goed. Het was geen zuiver spul, zou de diender zeggen. Ik schudde vrouw Paulina daarom van mij af en na heel wat lieverlijkheden meer geleidde ik Apau naar het bureau.

Arme Apau, hij betaalde het gelag met zes maanden hechtenis met openbare tewerkstelling en ... Paulina. Ja, die vertelde nu aan alle vroegere kopers van Apau dat zij misrekend had, haar 'obia' was gebleken niet sterk of krachtig genoeg te zijn. Ik had een krachtigere 'obia' bij mij gehad, verkregen van een Paraman". Een zekere vermaardheid als piauwcentrum had de Chinese vereniging Kong Ngie Tong, waar de politie vaker invallen deed. Zelfs werd in 1930 de vereniging van haar rechtspersoonlijkheid vervallen verklaard door de rechter, omdat zij gelegenheid gaf om op haar terrein piauw te spelen. Hoe belangrijk de rol van piauw was in die jaren blijkt ook uit de vele liedjes die erover gemaakt zijn.

"Welk spel haat hier de Overheid, 't is piauw.
Welk spel speelt toch het volk altijd, 't is piauw.
Op welk spel is men hier zeer verzot, maar geeft ook vaak hond in de pot: 't is piauw, 't is piauw, 't is piauw (bis) of: Piauw, piauw, piauw, je go mek' mi law (3x)
Mi tap en dja, a boro so. Piauw, piauw, piauw.

De belangstelling voor het piauwspel nam later af, vooral door het strenge optreden van de politie en ook door de instelling van een loterij (lotex), waar de mensen hun goklust konden botvieren. Ook het bestaan van een speciale piauwbrigade werd daarmee overbodig en kon die worden opgeheven.

Op het gebied van vervoer ging de politie met haar tijd mee. In november 1932 werden vier motorrijwielen aangeschaft, waarvan twee met zijspanwagen. Dit hulpmiddel is in de praktijk van groot nut gebleken. Vooral bij de ordeverstoringen in februari 1933 heeft de motorbrigade uitstekende diensten bewezen. Ook bij de controle op de naleving van verkeersvoorschriften. Daarom werden in juni 1933 nog vier motorrijwielen aangeschaft. Kort daarvoor was ook een motorvrachtwagen aangeschaft, speciaal ingericht voor het vervoer van arrestanten en voor het overbrengen van politiepatrouilles. Voor werkzaamheden op water mocht de politie gebruik maken van een snelvarende marine motorboot.

In 1938 werden de acht motorfietsen vervangen door acht nieuwe Harley Davidsons.

Ook in de jaren daarna werd het aantal voertuigen uitgebreid en in 1943 werden de eerste patrouillewagens, waaronder ook een stationcar, aangeschaft.

In 1931 kwam het nieuwe politiebureau aan de Waterkant gereed en werd de gehele administratie in het nieuwe gebouw ondergebracht. Voordelen hiervan waren dat de werkwijze werd vereenvoudigd, dat de administratie, ook de geldelijke, werd gecentraliseerd.


Foto uit 1930 met links het nieuwe politiebureau.



Ook kwam er toen een afdeling voor de fotografische en daktyloskopische dienst, welke van groot belang was bij het opsporen van misdrijven en het achterhalen van misdadigers. In deze periode waren er globaal genomen drie afdelingen bij de politie, te weten de administratie, de recherche of justitiële politie en de buiten- of straatdienst. De gebeurtenissen van 1931 en 1933 hadden ook invloed op de bewapening en de organisatie bij de politie.

Omdat de wapening van gummistok en karabijn onvoldoende was gebleken bij volksoplopen, werden daaraan in 1933 toegevoegd een pistool en een klewang. Ook werden in 1933 aangesteld tien bezoldigde buitengewone agenten van politie, speciaal om nachtdiensten te Paramaribo te verrichten van zeven uur 's avonds tot de. volgende morgen zeven uur. Hun werk bestond vooral uit patrouilleren om misdrijven te voorkomen. Zij genoten de gewone politie-opleiding en hadden bij vacatures voorrang om benoemd te worden. Ter ondersteuning van de politie werden ook weleens militairen ingezet. Soms gebeurde dit voor korte tijd, zoals in 1933 in het Lawagebied, toen daar onrust ontstond onder goudzoekers. De rust werd hersteld, de meeste buitenlanders moesten het gebied verlaten. Te Moengo werden in 1925 militairen gestationeerd om het hoofd te kunnen bieden aan de overlast die werd veroorzaakt door de 'poité's'; dat waren vluchtelingen uit het bagno van St-Laurent.

Onder hen waren echter ook figuren die een bijdrage konden leveren aan de economie van Suriname. Aan de aanleg van Moengo en de bouw van een nieuwe suikerfabriek te Mariënburg hebben zij meegewerkt. Maar elk jaar weer werden tientallen poité's door de politie aangehouden en over de grens gezet.In 1932 werd de militaire macht van Moengo vervangen door een politiekorps.

Het sociale leven van de politieagent.

De politieagent nam in vele opzichten een andere positie in de samenleving in dan andere landsdienaren. Velen keken tegen hem op als de man die altijd in een mooi uniform rondliep, met klewang bengelend aan zijn zij, soms te paard, maar altijd als de man die het gezag moest handhaven. De agent zag zichzelf evenwel als de man met een laag inkomen, waarvan hij niet alleen moest leven als alle anderen, doch ook ervoor moest zorgen dat zijn uniform altijd keurig schoon en gestreken was. Als de man die niet gezien mocht worden in een kroeg; als de man die in vele opzichten een beperkte vrijheid had.

Het leven van de agent in Paramaribo verschilde aanmerkelijk van dat van de agent in de distrikten. In Paramaribo had de agent studiemogelijkheden. Hij kon buiten diensttijd, naar de bioscoop of een voetbalwedstrijd, of naar een fuif. Vanaf 1932 was er ook een politietehuis, waar hij met collega's gezellig kon zitten babbelen onder het genot van een drankje, of waar hij zich kon vermaken met allerlei spelletjes. In Paramaribo kon hij wonen in een huis waar er vanaf 1909 gaslicht was en vanaf 1932 elektrisch licht.

Politiepost Berg en dal aan de Suriname rivier.

In de distrikten kende men dat niet. Daar leefde vooral vroeger de agent zijn geïsoleerd bestaan, ergens in een huis aan de rivier, met als enig gezelschap vaak de muskieten.

De enige communicatiemogelijkheden waren de smalle polderdammen, waarover hij te voet zijn buren kon opzoeken, die een kilometer verder woonden, of de rivier waarover hij zich kon verplaatsen met een roeiboot, geroeid door speciale politieroeiers. De enige sociale kontakten die hij had waren zijn familie, eventueel een collega en de plaatselijke bevolking.

Maar omdat hij de gezagshandhaver was in het gebied moest hij ervoor waken niet al te zeer verstrengeld te raken in de plaatselijke problemen en de gemeenschap aldaar.

Voor licht in huis zorgde de petroleumlamp (kokolampoe) en water kreeg hij uit de regenbak of uit de put. Van douche was uiteraard nog geen sprake en de plee stond ergens op het erf. Een bezoek aan dat gemakhuis zal vooral 's avonds zeker geen genoegen zijn geweest. Al was het alleen maar om de slangen. In de grotere distriktsplaatsen als Nieuw-Nickerie was het in vele opzichten iets beter. Daar was er vanaf 1927 al elektrisch licht. Er waren ook wegen, waarover hij zich met zijn fiets kon verplaatsen of (later) met de motorfiets of auto. De mogelijkheden voor sociaal contact waren groter, al moeten we ons daar ook geen overdreven voorstelling van maken.

Zo was er nog in 1940 maar één telefoonlijn, die Nieuw-Nickerie verbond met de westelijke polders. Daarop waren er drie aansluitingen en alle gesprekken konden dan ook door de anderen worden afgeluisterd. Toen later meer wegen werden aangelegd werden vele politieposten verplaatst naar de wegen en werden de communicatiemogelijkheden iets groter. Op enkele plaatsen zoals Tijgerkreek in Saramacca zijn de oude politiewoningen en posten nog te zien. In Paramaribo was de situatie een stuk plezieriger met een mooi hoofdbureau van politie.

Een vertrouwd geluid was jarenlang de sirene die, elke dag om 12 uur des namiddags, zijn schril geluid liet horen vanaf het politiebureau.
Aanvankelijk gebeurde dat vanaf de werkplaatsen van de Koloniale Vaartuigen aan de Saramaccastraat (Frenkibaka), maar nadat die waren samengevoegd met de werkplaatsen van de Landsspoorwegen te Beekhuizen, gebeurde het vanaf de Toren van Financiën.

Toen in 1931 het nieuwe politiebureau in gebruik werd genomen werd de sirene naar dat gebouw overgebracht, van waaruit het heeft geklonken tot 1980, toen het politiebureau in vlammen opging.

Vermelding verdient dat in deze periode de doodstraf voor het laatst werd toegepast in Suriname. Nadat eerder in 1873 voor de laatste keer een doodvonnis was voltrokken, werd in 1922 Coutanceau opgehangen, wegens moord op een Chinese winkelier te Zanderij.

In 1923 werd Rohana opgehangen wegens moord op de echtgenoot van zijn geliefde (in Nickerie) en in 1927 werd Apatoe opgehangen, wegens moord op een Chinese winkelier te Leiding 18.

Het vonnis werd voltrokken op de binnenplaats van het Burgerlijk en Militair Huis van Verzekering binnen het Fort Zeelandia op de wijze als omschreven in artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht.

Melding moet ook worden gemaakt van twee bijzondere gebeurtenissen in Paramaribo, waarbij de politie hard moest optreden. De eerste maal was dat tijdens de hongerrellen van 28/29 oktober 1931, toen er een dode viel, vermoedelijk door een schot dat tijdens een worsteling afging.

   
    

 

De tweede maal gebeurde dat op 7 februari 1933, naar aanleiding van de gevangenhouding van De Kom. In opdracht van de Procureur-generaal werd toen geschoten en vielen er 30 gewonden, en twee doden.

In 1945 waren de volgende posten in de distrikten bemand'.

Poelepantje 6
Nieuw-Amsterdam 6
Combé 4
Leidingen 2
Lelydorp 2
Domburg 2
Kwakoegron 3
Republiek 2
Meerzorg 2
Carolina 1
Paranam 2
Berg en Dal 1
Frederiksdorp 5
Mariënburg 6
Constantia 3
Groningen 2
Carl Francois 1
Uitkijk 1
Tijgerkreek 1
Coronie 3
Nickerie 12 (Nieuw-Nickerie, Paradise, Post Rotterdam, Corantijnpolder)
Moengo 5
Lawa 2

Aparte vermelding verdient de z.g. Bospolitie, dat zijn de bosopzichters en boswachters die na de opheffing van het Departement voor de Landbouw, per 1 maart 1926, onder de bevelen werden gesteld van de P.G.

De periode 1945 - 1973

Toen het Korps Gewapende Politie in 1945 de tweede helft van zijn 100-jarig bestaan inging was de Tweede Wereldoorlog net afgelopen. Een oorlog die ook voor Suriname belangrijke gevolgen heeft gehad. De welvaart nam toe, hetgeen ondermeer te merken was aan de gestegen lonen, het betere en uitgebreidere wegennet, het toegenomen verkeer met meer auto's en het nieuwe vervoermiddel, de bromfiets.

Door de verdere achteruitgang van het plantagewezen, de aanleg van wegen en het ontstaan van nederzettingen aan die wegen werd het steeds meer nodig politieposten die aan de rivier lagen te vervangen en nieuwe langs de weg op te zetten. Terwijl de politieroeiboten geleidelijk aan verdwenen, kregen de agenten steeds meer de beschikking over gemotoriseerd vervoer. Door deze ontwikkeling raakte de distriktsraden uit zijn sociaal isolement.

In 1945 was de samenstelling van het korps als volgt:

De Procureur-generaal was als vanouds het hoofd van de politie. De bevoegdheden van de commissaris 'van politie waren in Paramaribo overgegaan op de stadscommissaris. De hoofdinspecteur was hoofd van de gewapende politie. Dan waren er nog drie inspecteurs, acht adjunct-inspecteurs (waarvan drie in de distrikten), 19 hoofdagenten en 187 agenten van politie 1', 2', 3' en 4' klas (waarvan 75 in de distrikten).

De bewapening bestond uit gummistok, klewang, pistool en karabijn. Tot de uitrusting van de politie behoorden drie politiemotorboten, een motortruck, twee patrouilleauto's, een stationwagen, 20 duo-motorrijwielen (10 in het distrikt) en een duo-motorrijwiel met zijspan.

In Paramaribo waren er globaal genomen drie afdelingen, t.w. de administratie, de recherche of justitiële dienst en de buiten- of straatdienst. In 1948 werd de functie van hoofdinspecteur losgekoppeld van die van hoofd van de dienst en werd de heer E. Ensberg hoofd van de gewapende politie. De hoofdinspecteur J. Douglas was hoofd van de stadspolitie, terwijl als inspecteur toen ook dienden de heren W. Gummels, R. Guicherit en A. Mac Donald.

Het uniform dat eerst bestond uit een hemd en broek van dik khaki, een witte helm overdag, 's avonds een zwarte pet, zwarte schoenen werd later uit praktische overwegingen aangepast en werden een dunner lichtbruin hemd, een donkerbruine broek en bruine schoenen ingevoerd, terwijl de helm kwam te vervallen. De onderscheidingstekens werden van de mouw overgebracht naar de schouders.

Het spreekt vanzelf dat met de ontwikkelingen in Suriname ook het politieapparaat meegroeide, niet alleen in aantallen politieagenten, maar ook in min of meer gespecialiseerde afdelingen/ diensten.

Enkele van deze afdelingen waren/zijn:

a.
De Verkeerspolitie.

De voortdurende uitbreiding van het wegennet en de daarmee gelijke tred houdende uitbreiding van het aantal motorvoertuigen deden het werk van de verkeerspolitie aanmerkelijk toenemen. Een goede indruk van de groei van het verkeer geven de volgende cijfers:

auto's in 1955 - 2507; 1971 - 21417
bromfietsen in 1955 - 5000; 1971-31828

De politie speelde op deze ontwikkeling in door instelling van aparte afdelingen, zoals surveillancedienst, ongevallendienst, technische dienst, afdelingen voor rijexamen, verkeersvoorlichting (waarbij ook het instituut van verkeersbrigadiertjes), nummerbewijzen, verkeerslichten, wegbebakening.
 


b.
De Recherche

Een der oudste afdelingen van de politie. Vroeger waren er aparte aangifte- en onderzoeksdiensten. De aangiftedienst bestond uit vier kleine groepen van elk vijf man met als commandant een majoor of brigadier. In de onderzoeksdienst zaten de meer ervaren rechercheurs, die moesten afronden wat was opgenomen door de aangiftedienst. Door toename van het aantal zaken en het personeelstekort werd in 1971 besloten om een nieuwe dienstregeling in te voeren. Beide diensten werden samengevoegd tot een vierploegenstelsel van nacht-, middag-, en morgendienst. Elke ploeg telde minimaal 10 man, met als commandant een hoofdagent van politie. Deze nieuwe dienstregeling resulteerde reeds in het eerste jaar in een toename van 50% van het aantal dossiers dat naar het parket kon worden gezonden.

Met het toezicht op een richtige gang van zaken bij aangiften werd belast de inspecteur van de dag. Het aantal aangiften in Paramaribo beliep in 1971 meer dan 10.000. In verzekerde bewaring werden in dat jaar gesteld 1498 personen, waarvan 300 beneden 19 jaar. Vooral overtreding van de opiumverordening (marihuana) liet in deze jaren een verontrustende stijging zien.

c.
De Vreemdelingendienst

Die ondermeer tot taak had het toezicht op de naleving van het Surinaams Toelatingsbesluit. Het aantal aangekomen, resp. vertrokken personen bedroeg in 1971 resp. 47.801 en 56.764.

Onder de vreemdelingendienst ressorteerde ook de hondenopvangdienst, de z.g. hondenbrigade, die tot taak had om loslopende honden - dat waren vooral de honden zonder penning (er moest vroeger n.l. hondenbelasting worden betaald) - op te pakken met een speciale "dagu-wagi". Met deze taak waren speciale politiefunctionarissen belast, die van het volk al gauw de bijnaam kregen van "dagu-skowtu". Jaarlijks werden er meer dan 1000 honden opgepakt, die gedeeltelijk aan de eigenaars werden teruggegeven (na betaling), soms aan distriktsbewoners, maar het grootste deel werd afgemaakt. En daar werd zeep van gemaakt, zei men. Vanaf 1971 is deze dienst niet meer in bedrijf, vanwege het ontbreken van een hondenkar.

d.
De Technische Opsporings- en Herkenningsdienst, TOHD.

Reeds eerder bestond bij de politie een fotografische- en daktyloskopische afdeling, maar om met de technische ontwikkeling mee te gaan werd in 1959 de TOHD opgericht. Technische bijstand werd hierbij verleend door de hr. Kanters.

e. De Kinderpolitie.

De afdeling kinderpolitie werd ingesteld op 1 april 1948. Zij begon met twee dames, onder leiding van mej. Sillevolde, die geknipt leek voor die functie. Niet alleen had zij in militaire dienst gezeten, maar ook kon zij bogen op omvangrijk sociaal werk, waarbij zij al veel met jeugd was omgegaan.

Eind 1949 werd deze afdeling ondergebracht bij de Dienst voor Sociale Bijstand van het Ministerie van Sociale Zaken en Immigratie, maar bleef onder de bevelen van de Procureur-generaal en het hoofd van de dienst van de gewapende politie. Zonder een duidelijk omschreven taak werd zij door de toenmalige directeur van het departement gekarakteriseerd als een "Eerste hulp bij morele ongelukken". De onderbrenging bij Sociale Zaken was gebeurd "om een poging te wagen de bevolking vertrouwd te maken met een tak van dienst van politie, die er niet is om bekeuringen in te stellen, maar om te helpen". De dames gingen gekleed in het uniform van de sociale werksters.

mej. Sillevolde, eerste vrouwelijke agente

De dienst groeide, het vertrouwen ook en in 1957 kon zij gesplitst worden in dienst voor de kinderbescherming, welke ressorteerde onder Sociale Zaken en de kinderpolitie, nu wel in politie-uniform gestoken en ondergebracht bij de recherche. Aanvankelijk stonden beide diensten onder dezelfde leiding en waren zij ook in hetzelfde gebouw gehuisvest.

Toen de personele unie werd verbroken verhuisde de kinderpolitie naar het hoofdbureau van politie aan de Waterkant, waar zij een zelfstandige afdeling werd. In het algemeen hield zij zich bezig met "het behandelen van alle klachten en verzoeken om hulp m.b.t. kinderen, wanneer van enige criminele inslag sprake was".

Ook kon hulp verleend worden aan de recherche als het ging om zedendelicten of bij fouillering van vrouwelijke verdachten. Nadat de kinderpolitie weer bij de politie was ondergebracht werd een aanvang gemaakt met de opleiding van vrouwelijke agenten. Van de eerste zeven functionarissen werden vier tewerkgesteld bij de kinderpolitie, terwijl drie aan de verkeerspolitie werden toegevoegd. Onder de eerste groep vrouwelijke agenten was ook de latere inspecteur Dikmoet, die terugblikkend vertelde:
"De beginperiode was erg zwaar, het was 's morgens vroeg kwart voor zes aanmelden in het opleidingscentrum, vervolgens lichamelijke opvoeding van Ludwig de Sanders en ook nog exercitie van brigadier Hiwat. Voorts werden wij opgevangen en begeleid door brigadier (mevr.) Sillevolde. Na de opleiding werden wij ingezet bij de afdeling kinderen zedenpolitie".

Een verslag uit de beginjaren geeft ons een indruk van de problemen waar de dienst mee te kampen had: " Bij wijze van experiment is gedurende enkele maanden van het verslagjaar avondcontrole op de jeugd uitgeoefend. De jeugdige 'nachtwandelaars' werden dan opgepakt en aan huis bezorgd. Dit experiment had weinig succes, omdat vele van deze gevallen voor opname in een tehuis voor verwaarloosde kinderen in aanmerking komen. Andere van deze kinderen zijn sinaasappelverkopers en hun inkomsten zijn veelal de enige van het betrokken gezin. Het gemis aan een tehuis voor verwaarloosde en/of misdadige meisjes liet zich dit verslagjaar weer heel sterk gevoelen. Drie meisjes van 14 jaar moesten, door het gemis aan zo'n tehuis, ter afwachting van hun berechting, in het huis van bewaring worden ingesloten voor het plegen van verscheidene diefstallen. Drie meisjes van 14 jaar werden moeders van buitenechtelijke kinderen, mede doordat de kinderpolitie niet in staat was hen bijtijds in een tehuis onder te brengen". Maar de jeugdpolitie kon gelukkig ook wijzen op positieve resultaten. In de jaren daarna bleef de kinderpolitie haar taken zo goed als mogelijk uitoefenen. Regelmatig werd er controle uitgeoefend op bioscoopbezoek van minderjarigen en werden spijbelaars en zwervende minderjarigen naar school of huis teruggebracht.

Er werd opgetreden bij opstandigheid van minderjarigen tegen hun ouders en in latere jaren werd nog bijzondere aandacht geschonken aan het gebruik van verdovende middelen bij de schooljeugd. Indien nodig liepen enkele vrouwelijke agenten stage bij de recherche. Ondanks de zorg en voorzorgen werden in één jaar (1971) 248 jeugdige delinquenten van niet ouder dan 16 jaar in jeugdcellen opgesloten, wat de omvang van het jeugdprobleem aangeeft. Al is het alleen maar als nostalgische herinnering, toch moet ook even melding worden gemaakt van de vroegere schoolpolitie met de legendarische Opa Doelie, die spijbelaars oppakte en naar school terugbracht.

f.
De technische dienst

Die ondermeer de zorg had voor de radio- en verbindingsdienst en voor de verkeerslichten. Op het eind van deze periode bestreek het politietelecommunicatiesysteem alle politiestations in het land en waren er al 12 verkeerslichten geplaatst.

g.
De straatdienst

Die met de recherche de oudste dienst van het korps vormt en ook verreweg de grootste is. De helft van alle beambten in Paramaribo is werkzaam bij deze dienst. Behalve de hiervoor genoemde waren er ook afdelingen/diensten voor de brandweer, het kledingmagazijn, de centrale inlichtingen dienst, de wapenkamer, de afdeling vergunningen, etc.

De periode 1973 - 1995

Op 1 januari 1973 begon voor de politie in Suriname een nieuwe periode. Op die datum trad n.l. in werking het Politiehandvest. Dit laatste was vastgesteld bij Landsverordening van 17 april 1971 (G.B. 1971, no. 70). De naam van het korps werd veranderd van Korps Gewapende Politie in Korps Politie Suriname, onder gezag van een korpschef, die zou worden benoemd en ontslagen door de Gouverneur/President. Onder leiding van de minister van Justitie en Politie werd hij belast met de organisatie en het beheer van de politie. Er kwam een nieuwe rangindeling van

- officieren: de hoofdcommissaris, de commissaris, de hoofdinspecteur en de inspecteurs 1e, 2e en 3e klas. Zij dragen sterren op hun uniform, al of niet met een balk.
- onderofficieren: de onderinspecteurs, de majoors en de brigadiers.

Zij hadden knopen op hun uniform. - manschappen: de agenten 1e, 2e en 3e klas en de aspirant-agent, met V-vormige strepen op hun uniform, de hulpagenten 1e en 2e klas, met rechte strepen op hun uniform.

De taak van de algemene politie werd omschreven als:

- handhaving van de openbare orde en veiligheid, het voorkomen van inbreuken daarop en de bescherming van personen en goederen;

- de opsporing van strafbare feiten en het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, waarop bij overtreding straf is gesteld.

Daarnaast werden aan de politie bijzondere taken opgedragen, t.w.

- de vreemdelingendienst

- het vervoeren en bewaken van gedetineerden

- het betekenen en uitreiken van gerechtelijke stukken in strafzaken;

- de brandbestrijding in gewesten waar geen speciale dienst hiervoor bestaat

- de handhaving van de rechtsorde bij openbare vergaderingen en bij rechtszittingen

- het verlenen van hulp en bijstand in de gevallen waarin zulks redelijkerwijs van haar kan worden verwacht.

Ook kan de bijzondere politie belast worden met de opsporing van bepaalde soorten strafbare feiten. In de distrikten is de distriktscommissaris belast met de zorg voor de handhaving van de openbare orde en rust in zijn distrikt en heeft hij als zodanig daar de leiding over de politie. Echter mag hij zich niet inlaten met kwesties van technisch politiële aard en mag hij niet ingaan tegen opdrachten van de politieleiding in Paramaribo. Bij de politie werd een aantal afdelingen in het leven geroepen, waaronder het stafbureau van de korpschef, de straatdienst, de verkeersdienst, de recherche of justitiële dienst, etc. In de loop der jaren werden naar behoefte nieuwe afdelingen ingesteld, zoals de narcotica brigade, die in 1974 begon als een kleine unit, maar in latere jaren uitgebreid werd door het toenemend gebruik en de toenemende handel in marihuana, heroïne en cocaïne; de dienst welzijnszorg; de publiciteitsdienst e.a.

In 1989 werd een aanvang gemaakt met de implementatie van een nieuwe organisatiestructuur bij de politie. Het gehele politieapparaat staat onder leiding van de minister van Justitie en Politie, onder wie ook rechtstreeks ressorteert het overleg orgaan politieambtenaren Zaken.

Territoriaal is Suriname wat betreft de politie verdeeld in gewesten, waarvan de grenzen samenvallen met de distriktsgrenzen. Elk gewest bestaat uit een of meer ressorten, waarin een of meer politieposten zijn gevestigd. In samenhang met het politiehandvest werden ook instructies en reglementen vastgesteld voor de korpschef, de ambtenaren van politie, de buitengewone agenten van politie en de ambtenaren van de brandweer. Er werd tevens een reglement Overleg politieambtenarenzaken afgekondigd.

De bond zou dan ook zijn leden aanzeggen alle door de korpsleiding gegeven opdrachten stipt op te volgen. De staking escaleerde. Er werden demonstraties gehouden die uitliepen op rellen en plunderingen. De politie kreeg opdracht de rechtsorde te herstellen en trad waar nodig hard op, soms met gebruikmaking van traangas en bullepees. Op 27 februari werd aan de politie volmacht verstrekt om "naar bevind van zaken en zonder enige consideratie op te treden". Dit hield in dat alle beperkingen die eerder door de minister waren opgelegd aan het optreden van de politie werden ingetrokken en dat zij mocht handelen conform het politiehandvest.

Op diezelfde dag werd ook tijdens een demonstratie een der leiders dodelijk getroffen en werden enkele vakbondsleiders gearresteerd, verdacht van opruiing en terreur. Het optreden van de politie was in een eerdere fase bij een bemiddelingspoging het breekpunt, omdat de regering weigerde dit optreden tot punt van bespreking te maken. Het optreden van de politie was immers gericht op handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de samenleving tegen 'terreur en vandalisme".

Al gauw na het in werking treden van het politiehandvest werd de politie geconfronteerd met ernstige onlusten, als gevolg van de grote ambtenarenstaking van 1973. Het begon met een staking van de douaneambtenaren. De rechter gelastte de douaniers de onderbroken werkzaamheden te hervatten. De stakende ambtenaren besloten dit vonnis naast zich neer te leggen en werden daarbij gesteund door enkele vakorganisaties. De Surinaamse Politie Bond distantieerde zich echter van de afwijzing van het vonnis en achtte zich verplicht toe te zien op de naleving van de rechterlijke uitspraak.

In 1980 raakte de politie opnieuw verwikkeld in ernstige problemen als gevolg van het conflict bij de Surinaamse Krijgs Macht (S.K.M.) en de daarop gevolgde coup. Oorzaak van dit conflict was o.m. het verschil van inzicht tussen regering en legerleiding enerzijds en de Bond van Militair Kader anderzijds, over het bestaan van een vakbond in het leger. Nadat de militairen door hun superieuren de kazerne waren uitgewezen, werd de politie opgedragen assistentie te verlenen aan de Militaire Politie, indien dat nodig zou zijn.


Politieagent Sultan, een van de slachtoffers van de militaire coup 1980

Op het moment dat de militairen zich hadden teruggetrokken in het George Streepey stadion werd het de directe taak van de politie als rechtshandhaver om de orde te handhaven. Ook bij de voorgeleiding van enkele gearresteerde leiders van "Bomika" (Bond Militair Kader) was de politie mede belast met de handhaving van de openbare orde. De gebeurtenissen die daarop volgden hebben grote invloed gehad op de gemeenschap en op het gehele politieapparaat en zijn functioneren.

Op 25 februari 1980 werd door een militaire staatsgreep de regering ten val gebracht. Reeds kort na het begin van de actie werd een patrouillerende politieauto beschoten, waarbij een politieagent dodelijk werd getroffen. Omstreeks negen uur in de ochtend werd het politiebureau beschoten en de agenten die het brandende gebouw verlieten werden gedwongen op hun buik te gaan liggen. De ontwapende agenten werden naar het kamp gebracht, waar ze onder krijgstucht werden gesteld en naar huis gezonden. Enkele politieofficieren bleven aangehouden. In de dagen daarna hervatten de agenten geleidelijk aan hun werkzaamheden en op 29 februari werd er een driehoofdige leiding ingesteld, onder gezag van de Nationale Militaire Raad.

De driehoofdige leiding bestond uit de politieofficieren A. Plukker ( hoofdinspecteur van politie), L. Koole ( commissaris van politie) en A. Iftekaralikhan (hoofdinspecteur van politie). Steeds meer werden agenten weer ingezet, echter aanvankelijk ongewapend en onder toezicht van of samen met militairen.

De driehoofdige leiding werd in juli 1980 vervangen door een éénhoofdige, met de benoeming van L.N.H. Vrij tot Korpschef. Hij zou deze functie vervullen tot eind 1984, om per 1 januari 1985 te worden opgevolgd door P. Monsels.

Kort na de staatsgreep werd aan de Militaire politie tijdelijk algemene opsporingsbevoegdheid toegekend, later verlengd tot 1985. Bij dekreet van 16 februari 1985 werd in verband met de criminaliteitsbestrijding de tijdelijke bevoegdheid omgezet in een permanente.

Bij Wet van 4 mei 1990, Staats Blad 1990, no. 23, werd dit dekreet ingetrokken en daarmee ook de algemene opsporingsbevoegdheid aan de Militaire politie ontnomen.

 

 

TOP